10/809 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 21 december 2009, 09/752 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 16 september 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. S.T. Dieters, advocaat te Hoogezand, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus
- Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic. II. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft vermeld. De Raad volstaat hier met het volgende. 2.
- Bij brief van 21 november 2008 heeft appellante zich gewend tot het Uwv met het verzoek om haar arbeidsongeschiktheid per 17 september 2007 te beoordelen. 2.
- Bij besluit van 6 april 2009 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 29 december 2008 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 2.
- Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat al sinds 17 september 2007 sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Daarnaast is volgens appellante het dagloon op onjuiste wijze vastgesteld. 2.
- Bij besluit van 3 juli 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard. Het Uwv heeft aanleiding gezien - met herroeping in zoverre van het besluit van 6 april 2009 - de hoogte van het dagloon ten gunste van appellante aan te passen. Voor het overige is het besluit van 6 april 2009 gehandhaafd. 3.
- Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, omdat de WAO-uitkering naar haar mening met ingang van 17 september 2007 had moeten worden toegekend. 3.2.
- Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3.2.
- De rechtbank heeft het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat uit de voorhanden zijnde medische gegevens niet is gebleken dat de klachten en beperkingen ten gevolge van het carpaal tunnelsyndroom voortvloeien uit de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid die aan de orde was ten tijde van de beoordeling per 6 januari
- Destijds heeft bezwaarverzekeringsarts K.J. van Haeringen appellante immers licht beperkt geacht ten aanzien van zware arbeid als gevolg van psychische en aspecifieke lichamelijke klachten. 3.2.
- Wat betreft de geclaimde toename van de uit de psychische en aspecifieke lichamelijke klachten voortvloeiende beperkingen heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante deze claim niet heeft onderbouwd met medische gegevens. In de gedingstukken heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor een toename van deze beperkingen. De rechtbank heeft daarbij nog gewezen op het feit dat appellante zich op 17 september 2007 heeft ziek gemeld na een hyperventilatieaanval en dat zij daarna in de Ziektewet is gebleven vanwege een ontregelde diabetes en hypertensie. Van toegenomen arbeidsongeschiktheid die voortvloeit uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan appellant bij de beoordeling per 6 januari 2004 ongeschikt is geacht tot het verrichten van haar maatgevende arbeid is per 17 september 2007 dan ook niet gebleken.
- In hoger beroep heeft appellante haar in eerste aanleg voorgedragen beroepsgrond gehandhaafd. Zij heeft ter zake van de door haar gewenste ingangsdatum geen nieuwe gezichtspunten naar voren gebracht. 5.
- Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom appellante met ingang van 17 september 2007 niet in aanmerking kon worden gebracht voor een WAO-uitkering. De Raad heeft hieraan niets toe te voegen en verenigt zich met het oordeel van de rechtbank. 5.
- Het hoger beroep treft geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H. Bolt en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september
- (get.) C.W.J. Schoor. (get.) E. Heemsbergen. IvR