09/5713 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 22 september 2009, 09/848 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: College) Datum uitspraak: 27 september 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.H. Kruseman, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus
- Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J. Klaas, kantoorgenoot van mr. Kruseman. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen. II. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant heeft op 7 februari 2008 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Bij brief van 11 maart 2008 heeft het College hem verzocht om uiterlijk 18 maart 2008 ontbrekende (financiële) gegevens over te leggen, waaronder afschriften van diverse bankrekeningen vanaf 14 november 2007 tot 27 februari
- Appellant heeft telefonisch aan het College doorgegeven dat het enige tijd kan duren voordat hij over afschriften van zijn Riant-spaarrekening beschikt. Op 17 maart 2008 heeft het College appellant nogmaals verzocht om de desbetreffende bankafschriften over te leggen en wel uiterlijk op 26 maart
- Indien de rekening is opgeheven dient appellant een bewijs van opheffing of het laatste bankafschrift hiervan over te leggen. Daarbij heeft het College erop gewezen dat indien de gegevens niet binnen de gestelde termijn zijn ingeleverd, de aanvraag niet in behandeling zal worden genomen. 1.
- Bij besluit van 8 april 2008 heeft het College de aanvraag buiten behandeling gesteld met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij besluit van 13 januari 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 8 april 2008 ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 januari 2009 ongegrond verklaard.
- Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij direct heeft verklaard dat de rekening al lang was opgeheven en dat hij hiervan bewijs heeft geleverd maar dat dit niet in het dossier is terug te vinden.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 4.
- Inzage in bankafschriften met betrekking tot de aan de bijstandsaanvraag voorafgaande periode is als regel noodzakelijk om het recht op bijstand van een betrokkene te kunnen beoordelen. Naar het oordeel van de Raad heeft het College dan ook terecht om de in geding zijnde gegevens verzocht. 4.
- De Raad stelt vast dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de gevraagde gegevens binnen de hem bij de brief van 17 maart 2008 geboden hersteltermijn heeft overgelegd. Hij heeft evenmin binnen de hersteltermijn om uitstel of een nadere termijn gevraagd. De brief waaruit zou moeten blijken dat de Riant- rekening is opgeheven is door hem eerst in bezwaar tijdens de hoorzitting overgelegd. Naar vaste rechtspraak van de Raad brengt de aard en inhoud van een primair besluit tot het buiten behandeling laten van een aanvraag om bijstand overigens mee dat in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na het primaire besluit alsnog zijn verstrekt. De Raad ziet geen aanleiding om in het geval van appellant hiervan af te wijken. 4.
- Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen komt de Raad met de rechtbank tot de conclusie dat het College bevoegd was de aanvraag van appellant buiten behandeling te laten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken. 4.
- Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
- De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspaak. Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 september
- (get.) R.H.M. Roelofs. (get.) I. Mos. HD