10/4994 Wajong Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 juli 2010, 09/2044 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 7 oktober 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus
- Namens appellante is verschenen mr. De Jong. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.M. Schalkwijk. II. OVERWEGINGEN
- Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellante tegen het besluit van 15 juni 2009, waarbij het Uwv, na bezwaar, heeft gehandhaafd zijn weigering appellante een Wajong-uitkering toe te kennen per 1 februari 2002, de dag waarop zij 18 jaar is geworden. Na medische beoordeling van de gezondheidstoestand van appellante in twee instanties heeft het Uwv vastgesteld dat appellante op 1 februari 2002 mogelijk wel klachten had, maar geen duidelijke beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid. Hetgeen door appellante in beroep is aangevoerd heeft bij de rechtbank geen twijfel doen ontstaan aan het door de verzekeringsartsen ingenomen standpunt over appellantes belastbaarheid op 1 februari
- In hoger beroep heeft appellante evenals in beroep verwezen naar de brief van 29 april 2010 van de psychiater J.L. van der Geld, bij wie zij vanaf 2006 onder behandeling is. Volgens de psychiater is het onaannemelijk dat er tot 2002 geen beperkingen waren in het leven van appellante. 4.
- Hetgeen appellante in hoger beroep nog heeft aangevoerd heeft de Raad niet kunnen leiden tot een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen. De Raad sluit zich aan bij de reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 25 mei 2010 op de brief van de psychiater van 29 april
- Naar het oordeel van de Raad is appellante er niet in geslaagd aan te tonen dat zij op en na 1 februari 2002 beperkingen ondervond die in de Functionele Mogelijkhedenlijst hadden moeten worden opgenomen. De brief van de psychiater van 29 april 2010 biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. Ook de stotterbehandeling vond pas ruim na 2002 plaats. 4.
- De omstandigheid dat niet alle medische gegevens van voor en rond de datum in geding zijn - bijvoorbeeld van de behandeling die appellante rond haar 14e jaar bij de RIAGG heeft ondergaan - komt volgens vaste jurisprudentie van de Raad geheel voor haar rekening en risico aangezien zij pas in 2008 een aanvraag heeft ingediend. 4.
- Het hoger beroep slaagt niet.
- De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 oktober
- (get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen. (get.) H.L. Schoor.