← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2011:BT8379

11/1958 ZVW, 11/1959 ZVW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op de hoger beroepen van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 16 maart 2011, 10/1692 (hierna: uitspraak 1) en 10/2598 (hierna: uitspraak 2), in de gedingen tussen appellant en het College voor Zorgverzekeringen (hierna: CVZ). Datum uitspraak: 14 oktober 2011 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft in beide gedingen hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS). Bij brief van 28 maart 2011 heeft de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak de beroepschriften doorgezonden naar de Centrale Raad van Beroep. Daarbij is aangegeven dat niet de Afdeling, maar de Raad bevoegd is van het hoger beroep kennis te nemen. Het CVZ heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend. De gedingen zijn aan de orde gesteld op de zitting van 16 september

  1. Partijen zijn daarbij – zoals door beide schriftelijk aangekondigd – niet verschenen. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellant is gemachtigde geweest in het geding tussen de erven van [betrokkenen] (hierna: betrokkenen) tegen CVZ. De Raad heeft bij uitspraak van 24 februari 2010, LJN BL5578, de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 januari 2009, 07/4077, bevestigd. Aan betrokkenen is bij deze uitspraken geen proceskostenvergoeding toegekend. Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad heeft CVZ een nieuw besluit op bezwaar genomen op 2 april 2010, waarin CVZ geheel aan het bezwaar van betrokkenen is tegemoetgekomen. Bij dit besluit heeft CVZ echter geweigerd aan betrokkenen een proceskostenvergoeding toe te kennen. 1.
  3. Appellant is eveneens als gemachtigde opgetreden van [naam betrokkene] (hierna: betrokkene) in het geding tussen deze en CVZ. CVZ is bij besluit op bezwaar van 28 mei 2010 tegemoet gekomen aan het bezwaar van betrokkene, maar heeft geweigerd aan betrokkene een proceskostenvergoeding toe te kennen. 2.
  4. Appellant heeft tegen beide besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank. Hierbij heeft hij zich beperkt tot de weigering van het CVZ proceskosten te vergoeden. Lopende de procedures bij de rechtbank is gebleken, mede naar aanleiding van de brieven van appellant van 1 mei 2010 en 21 januari 2011, dat appellant de beroepen beschouwd als door hemzelf ingesteld, als voormalig gemachtigde van de verschillende betrokkenen. Het inhoudelijke geschil tussen de verschillende betrokkenen en CVZ is beëindigd met de beide besluiten op bezwaar, zodat de verschillende betrokkenen, volgens appellant, geen partij meer zijn in het geschil over de proceskostenvergoeding. 2.
  5. De rechtbank heeft in beide uitspraken appellant niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep, omdat hij geen rechtstreeks betrokken belang had bij de bestreden besluiten.
  6. In hoger beroep bestrijdt appellant de beide uitspraken voornamelijk door te stellen dat CVZ het verliezend bestuursorgaan is en gehouden is de proceskosten te vergoeden. Hierbij verwijst appellant naar de uitspraak van de ABRS van 21 oktober 2009, LJN BK
  7. De Raad overweegt als volgt. 4.
  8. In deze gedingen staat centraal de vraag of appellant in zijn beroepen bij de rechtbank ontvangen kan worden. 4.
  9. Om als partij in een juridisch geding aangemerkt te kunnen worden moet een persoon een zelfstandig recht hebben tegen een besluit (of uitspraak) op te komen. In artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de rechtbank. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is een belanghebbende degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Op grond van de artikelen in de Awb waarin de proceskostenveroordeling is geregeld kan een partij onder andere in aanmerking komen voor een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten die gemaakt zijn voor een professionele rechtshulpverlener. Nu de oorspronkelijke gedingen tussen de verschillende betrokkenen en CVZ besluiten omtrent de inhouding op het AOW pensioen van de bijdrage op grond van de Zorgverzekeringswet betroffen, kan niet gezegd worden dat appellant bij deze besluiten een zelfstandig belang had. Hij had derhalve geen zelfstandig recht beroep in te stellen en kan dus ook niet aangemerkt worden als partij aan wie een tegemoetkoming in de proceskosten toegekend kan worden. 4.
  10. Uit 4.2 volgt dat de rechtbank terecht appellant in zijn beroepen niet-ontvankelijk heeft verklaard. De aangevallen uitspraken zullen dan ook bevestigd worden.
  11. De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraken. Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober
  12. (get.) J.W. Schuttel. (get.) H.L. Schoor. KR

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.