← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2011:BU1920

10/2776 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 april 2010, 09/6244 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Datum uitspraak: 26 oktober 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M. Spek, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september

  1. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek. II. OVERWEGINGEN
  2. Appellant was werkzaam als medewerker tuinbouw op basis van een uitzendovereenkomst. Op 22 juni 2009 heeft hij zich ziek gemeld voor zijn werk wegens klachten aan zijn voeten en aan zijn rug. Hem is daarop een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Bij besluit van 14 juli 2009 heeft het Uwv de ZW-uitkering met ingang van 21 juli 2009 ingetrokken onder de overweging dat hij per die datum weer geschikt is om zijn werk te doen. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij besluit van 11 augustus 2009 ongegrond is verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 21 april 2010 het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
  3. Appellant heeft in hoger beroep de eerdere gronden herhaald dat hij door klachten aan zijn voeten en rug niet in staat was om zijn eigen werk te verrichten.
  4. Het Uwv heeft in verweer gesteld dat voldoende rekening is gehouden met de klachten en beperkingen van appellant, in relatie tot zijn arbeid.
  5. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  6. De Raad kan zich verenigen met hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft vastgesteld en overwogen. Daaraan wordt nog toegevoegd dat appellant is onderzocht door een verzekeringsarts en een bezwaarverzekeringsarts die beiden onderschrijven dat appellant door een aandoening aan zijn voeten beperkingen ondervindt. Tevens onderkennen zij de rugklachten van appellant. Dat in verband met de klachten meer beperkingen zouden moeten worden aangenomen, heeft appellant echter niet aangetoond. Hij heeft geen medische stukken ingebracht die op het tegendeel wijzen. Wat betreft de stellingen van appellant aangaande het schoeisel heeft het Uwv aannemelijk gemaakt dat appellant met het dragen van het juiste schoeisel zijn werk zou kunnen verrichten. Voor het overige wordt volstaan met te verwijzen naar de aangevallen uitspraak. 4.
  7. Voor een veroordeling van het Uwv tot een schadevergoeding bestaat geen aanleiding.
  8. Er bestaat ook geen aanleiding voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellant. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober
  9. (get.) H.G. Rottier. (get.) M.A. van Amerongen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.