← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2011:BU2037

11/1129 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 5 januari 2011, 10/2565 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden (hierna: College) Datum uitspraak: 25 oktober 2011 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september

  1. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Groenewegen, werkzaam bij de gemeente Leiden. II. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellant ontvangt sinds 19 juli 1999 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 9 november 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 februari 2010, heeft het College appellant op grond van persoonlijke omstandigheden ontheffing verleend van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB voor de periode van 1 november 2009 tot 1 november
  4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 februari 2010 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een procesbelang. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de periode waarvoor ontheffing was verleend was verstreken zonder dat dit voor appellant nadelige gevolgen heeft gehad en dat gelet daarop een uitspraak op het beroep voor appellant geen feitelijke betekenis meer kan hebben.
  5. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij wel een procesbelang had bij de beoordeling van zijn beroep. In dit verband heeft appellant er - samengevat - op gewezen, dat hij wel nadelige gevolgen had ondervonden door het ontheffingsbesluit, met het verzoek om zijn schade door het College te laten vergoeden.
  6. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  7. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 juli 2010, LJN BN3956, kan de omstandigheid dat schade is geleden als gevolg van bestuurlijke besluitvorming tot het oordeel leiden dat sprake is van een actueel procesbelang. Daarvoor is echter vereist dat de stelling dat schade is geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming niet op voorhand onaannemelijk is. De Raad is van oordeel dat niet aan dit vereiste wordt voldaan, nu appellant - louter door het niet onderbouwde verzoek om schade te vergoeden - geenszins aannemelijk heeft gemaakt dat daadwerkelijk schade is geleden als gevolg van het na bezwaar gehandhaafde ontheffingsbesluit van 9 november
  8. Gelet hierop slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
  9. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.F. Claessens en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober
  10. (get.) A.B.J. van der Ham. (get.) I. Mos.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.