ECLI:NL:CRVB:2011:BU3479
11/4812 WWV 11/5447 WWV-VV Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter U I T S P R A A K als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van de verzoeken om voorlopige voorziening van: [Verzoeker], wonende te [woonplaats], (verzoeker) in verband met het hoger beroep van: verzoeker tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 18 juli 2011, 11/333 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen: verzoeker en het College van burgemeester en wethouders Echt-Susteren (het college).
Datum uitspraak: 4 november 2011 I. PROCESVERLOOP Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2011, waarbij het verzoek van verzoeker gevoegd is behandeld met een verzoek van mevrouw [naam] dat is geregistreerd onder het nummer 11/5478 WWV-VV. Verzoeker is verschenen. Het college heeft zich - met voorafgaande kennisgeving - niet laten vertegenwoordigen. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. In de zaak met nummer 11/5478 WWV-VV wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN 1.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
1.2. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
1.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.1. Verzoeker is - ter uitvoering van een uitspraak van de Raad van 15 september 1981 - bij besluit van 16 december 1981 over de periode van 7 februari 1977 tot en met 9 februari 1979 een uitkering op grond van de Wet werkloosheidsvoorziening (WWV) toegekend.
2.2. Verzoeker heeft bij brief van 3 februari 2011 het college aansprakelijk gesteld voor onrechtmatig handelen, bestaande uit het feit dat de WWV-administrateur verzoeker destijds niet heeft aangemeld bij de bevoegde bedrijfsvereniging. Bij brief van 10 februari 2011 heeft verzoeker het college verzocht om de onrechtmatigheid van de toekenning van de WWV-uitkering te erkennen. Op 1 maart 2011 heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank.
III. BESLISSING De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende: in de hoofdzaak:
Bevestigt de aangevallen uitspraak; op het verzoek om voorlopige voorziening:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2011. (get.) H.G. Rottier. (get.) M.A. van Amerongen.
KR