← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2011:BU5103

06/7234 AKW 07/3173 AKW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats], Engeland (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 december 2006, 05/5791 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb). Datum uitspraak: 18 november 2011 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend en heeft vervolgens een nieuwe beslissing op bezwaar van 18 april 2007 aan de Raad gezonden. Appellante heeft gereageerd op dit nieuwe besluit. Het Svb heeft naar aanleiding daarvan op 15 april 2010 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Partijen hebben vervolgens nog enkele brieven aan de Raad gezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober

  1. Appellante is daarbij niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. De echtgenoot van appellante is in 2000 naar Engeland verhuisd. Aan hem is aldaar met ingang van 26 april 2004 Engelse kinderbijslag toegekend. Appellante is met haar kinderen in juli 2004 verhuisd naar Engeland. De Svb heeft tot en met het tweede kwartaal van 2004 kinderbijslag krachtens de Algemene Kinderbijslagwet aan appellante betaald. 1.
  3. Bij besluit van 9 maart 2005 heeft de Svb aan appellante bericht dat zij met ingang van het eerste kwartaal van 2001 geen recht heeft op Nederlandse kinderbijslag, omdat tevens recht bestond op Engelse kinderbijslag. In een begeleidende brief heeft de Svb het voornemen tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde kinderbijslag - tot een bedrag van € 9.342,94 - aangekondigd. 1.
  4. Het door appellante tegen het besluit van 9 maart 2005 gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 15 november 2005 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar niet tijdig zou zijn gemaakt.
  5. De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. 3.
  6. Bij een nieuwe beslissing op bezwaar van 18 april 2007 heeft de Svb het bezwaar van appellante alsnog ontvankelijk geacht en is haar bezwaar ongegrond verklaard. 3.
  7. De Raad heeft dit besluit met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht betrokken in deze procedure. 3.
  8. Vervolgens heeft de Svb bij een nieuwe beslissing op bezwaar van 15 april 2010 het bezwaar van appellante gegrond verklaard. De Svb heeft het besluit van 9 maart 2005 herroepen en heeft de herziening van de toegekende Nederlandse kinderbijslag beperkt tot de periode van 26 april 2004 tot 1 juli
  9. 3.
  10. Appellante heeft desgevraagd medegedeeld zich te kunnen verenigen met het besluit van 15 april
  11. Zij heeft de onverschuldigd betaalde kinderbijslag over de periode van 26 april 2004 tot 1 juli 2004 inmiddels terugbetaald aan de Svb en heeft aangegeven geen schadevergoeding te vorderen. Op een vraag van de Raad of zij het hoger beroep wenst te handhaven heeft appellante niet gereageerd. 4.
  12. De Raad stelt vast dat de Svb met het besluit van 15 april 2010 geheel is tegemoetgekomen aan de wensen van appellante, door de herziening van de Nederlandse kinderbijslag te beperken tot de datum waarop de Engelse kinderbijslag is toegekend. Nu appellante voorts expliciet heeft aangegeven geen schadevergoeding van de Svb te vorderen, moet geconcludeerd worden dat appellante geen belang meer heeft bij het door haar ingestelde hoger beroep. Dit betekent dat het hoger beroep en het beroep tegen het besluit van 18 april 2007 op die grond niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden.
  13. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; Verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 18 april 2007 niet-ontvankelijk; Bepaalt dat de Svb aan appellante het betaalde griffierecht ad € 142,- dient te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november
  14. (get.) T.L. de Vries. (get.) H.L. Schoor.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.