← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2011:BU5544

11/2396 WSF Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 9 maart 2011, 10/1365 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister). Datum uitspraak: 18 november 2011 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober

  1. Appellant is niet verschenen. Voor de Minister is verschenen mr. drs. E.H.A. van den Berg. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. De hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, per 1 januari 2010 in rechte opgevolgd door de Minister, heeft appellant over het jaar 2007 ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) studiefinanciering in de vorm van een basisbeurs en een OV-studentenkaart toegekend. 1.
  3. Na controle van de bijverdiensten van appellant aan de hand van bij de Belastingdienst opgevraagde inkomensgegevens in het jaar 2007, heeft de Minister bij besluit van 23 april 2010 ten laste van appellant over 2007 een vordering wegens meerinkomen vastgesteld. 1.
  4. Bij besluit van 5 juli 2010 heeft de Minister het bezwaar van appellant tegen de onder 1.2 vermelde vordering - onder verwijzing naar artikel 3.17 van de Wsf 2000 - ongegrond verklaard.
  5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 5 juli 2010 ongegrond verklaard.
  6. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de Minister het recht heeft verwerkt om nog een vordering wegens meerinkomen in 2007 ten laste van hem vast te stellen, aangezien bij besluit van 12 februari 2010, wegens het behalen van het diploma hoger onderwijs, de verstrekte prestatiebeurs voor de maanden september 2005 tot en met november 2009 is omgezet in een gift en daarom niet behoeft te worden terugbetaald, evenals de OV-lening. De Minister kan geen vordering leggen op de prestatiebeurs welke definitief is omgezet in een gift, omdat de samenstelling van de vordering en gift gelijk is. 4.
  7. De Raad overweegt ten aanzien van die grond het volgende. De vaststelling dat sprake is van meerinkomen heeft geen invloed op het recht op studiefinanciering, maar leidt tot een zelfstandige vordering op de studerende. Omdat de vordering wegens meerinkomen los staat van het recht op een prestatiebeurs en/of reisvoorziening staat een omzetting van de genoten prestatiebeurs en/of reisvoorziening in een gift wegens het behalen van een diploma niet in de weg aan het nadien opleggen van een vordering ingevolge artikel 3.17, zevende lid, van de Wsf
  8. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 5 oktober 2007, LJN BB
  9. Van verwerking van het recht als door appellant gesteld is mitsdien geen sprake.
  10. Het hoger beroep van appellant treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  11. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november
  12. (get.) T. Hoogenboom. (get.) I.J. Penning. EK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.