← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7742

11/356 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 2 december 2010, 10/1271 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 9 december 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. C.T.W. van Dijk, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Bij besluit van 27 juli 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA is ontstaan omdat hij met ingang van 15 juli 2009 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 24 maart 2010 ongegrond verklaard. 1.
  3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 24 maart 2010 ongegrond verklaard. Zij heeft hiertoe overwogen dat het de specifieke deskundigheid van de (bezwaar-) verzekeringsarts is om op basis van medisch objectiveerbare klachten de beperkingen van de betrokkene vast te stellen, zowel op fysiek gebied als op psychisch gebied. De (bezwaar-)verzekeringsarts heeft dan ook een zelfstandige bevoegdheid, in het kader van de uitvoering van de Wet WIA, om onderzoek te doen naar zowel de fysieke als psychische beperkingen van de betrokkene. In het geval van appellant was er, naar het oordeel van de rechtbank, geen aanleiding voor de (bezwaar-)verzekeringsarts om een nader onderzoek door een deskundige psychiater te laten uitvoeren. De rechtbank zag geen aanleiding tot twijfel aan de medische beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts en de daaruit voortvloeiende Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Voorts is overwogen dat door de bezwaararbeidsdeskundige afdoende is gemotiveerd dat de voorgehouden functies geschikt zijn voor appellant, mede gelet op het feit dat hiertoe overleg heeft plaatsgevonden tussen de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige.
  4. Appellant heeft in hoger beroep wederom aangevoerd dat de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte de informatie van NOAGG van 14 oktober 2008 en van zijn behandelende psychiater J.L. van der Geld van februari 2010 naast zich neer heeft gelegd en op basis van uitsluitend de eigen onderzoeksbevindingen de psychische beperkingen heeft vastgesteld. De bezwaarverzekeringsarts had volgens appellant een psychiatrische expertise moeten laten verrichten. Appellant vindt dat zijn beperkingen zijn onderschat en heeft ter onderbouwing van zijn standpunt rapportages van medische en arbeidskundige belastbaarheidsonderzoeken gedateerd 21 januari 2011 van A-REA ingediend. Hij heeft zijn bij de rechtbank aangevoerde grond ten aanzien van (bijwerkingen van) de door hem gebruikte medicijnen, waaronder Remeron, nogmaals ingebracht. Ten slotte heeft hij aangevoerd dat de voorgehouden functies niet geschikt zijn gelet op zijn medicijngebruik in verband met het in die functies voorkomende lopende bandwerk en rijden in magazijnwagens. 3.
  5. De Raad ziet geen aanleiding om het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig te achten. De Raad is met de rechtbank en onder verwijzing naar de overwegingen van de rechtbank terzake van oordeel dat de (bezwaar-)verzekeringsarts mag varen op zijn eigen medische beoordeling ten aanzien van de aan te nemen (psychische) beperkingen. De Raad ziet voorts geen aanleiding tot twijfel aan de medische beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts, zoals nader uitgewerkt in de FML van 1 maart
  6. De bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van een status na paniekaanval, aanpassingsstoornis/recidiverende depressie en lage rugklachten de functionele mogelijkheden van appellant vastgesteld. Hij heeft rekening gehouden met de psychische beperkingen van appellant door vast te stellen dat sprake moet zijn van een vaste werkwijze en een voorspelbare werksituatie zonder veelvuldige deadlines of produktiepieken en beperkingen vastgesteld ten aanzien van conflicthantering, samenwerken, klantencontact, patiëntencontact, beroepsmatig autorijden en werktijden. Het medicijngebruik van appellant was bekend bij de bezwaarverzekeringsarts en in de FML is een beperking opgenomen ten aanzien van beroepsmatig autorijden. De ingezonden informatie van NOAGG en psychiater Van der Geld roept bij de Raad geen twijfel op aan de juistheid van de beoordeling van de bezwaarverzekeringsarts. De informatie van NOAGG ziet niet op de datum in geding (15 juli 2009) en de informatie van Van der Geld wijkt niet wezenlijk af van waar de bezwaarverzekeringsarts van uit is gegaan. De in hoger beroep ingezonden stukken van A-REA doen naar het oordeel van de Raad evenmin af aan de juistheid van de FML, reeds vanwege het feit dat deze stukken niet zien op de datum in geding en niet in het kader van de Wet WIA zijn opgesteld. De rapportage Zieketewet van de verzekeringsarts A.K. van Barneveld van 10 juni 2008 doet evenmin af aan de juistheid van de medische beoordeling, nu uit deze rapportage blijkt dat de verzekeringsarts het psychische beeld nog onduidelijk vindt en eerst informatie wil opvragen. 3.
  7. Ten aanzien van de voorgehouden functies van inpakker (SBC 111190), magazijnmedewerker (SBC 111220) en produktiemedewerker industrie (SBC 111180) is de Raad van oordeel dat door de bezwaararbeidsdeskundige bij rapportages van 3 maart 2010 en 9 november 2011 afdoende is toegelicht dat deze functies geschikt zijn voor appellant. De door appellant eerst ter zitting van de Raad naar voren gebrachte grond ten aanzien van de bij de voorgehouden functies voorkomende opleidingseisen acht de Raad tardief ingebracht. De Raad ziet derhalve geen aanleiding om op dit punt een inhoudelijk oordeel te geven. 3.
  8. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. 3.
  9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen in tegenwoordigheid van M.D.F. Smit-de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december
  10. (get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen. (get.) M.D.F. Smit-de Moor. JL

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.