10/6968 WAO-T Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer T U S S E N U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 november 2010, 09/8465 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 9 december 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. D.J. Ladrak, advocaat te Leiden, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een ontbrekend gedingstuk toegezonden. Bij brief van 18 oktober 2011 heeft appellant een “Rapportage medisch onderzoek WWB” van 29 augustus 2011 ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2011. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer. II. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam als logistiek medewerker op een bloemenveiling, is op 10 november 2003 uitgevallen wegens allergische klachten, later zijn daar ook psychische klachten bijgekomen. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 4 november 2005 geweigerd appellant in aansluiting op de geldende wachttijd van 52 weken een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen op de grond dat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Tegen dat besluit is geen rechtsmiddel aangewend. 1.2. Op 29 november 2005 heeft appellant zich met ingang van 8 november 2005 vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet bij het Uwv ziekgemeld. 1.3. Bij besluit van 26 december 2005 is aan appellant met ingang van 10 november 2005 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. 1.4. Bij besluit van 25 januari 2006 heeft het Uwv beslist dat appellant vanaf 10 november 2005 geen recht (meer) heeft op een uitkering op grond van de ZW. Bij besluit van 26 april 2006 is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. 1.5. Bij brief van 14 maart 2006 heeft de gemachtigde van appellant het Uwv verzocht om “toezending van een nieuw gedateerde beslissing” met betrekking tot de WAO-aanspraken van appellant. 1.6. Bij besluit van 27 maart 2006 heeft het Uwv aan de gemachtigde van appellant meegedeeld dat dit verzoek niet gehonoreerd kan worden. Overwogen is dat zich geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan om het besluit van 4 november 2005 te herzien. Tevens is aangekondigd dat appellant zal worden uitgenodigd voor een spreekuur van een verzekeringsarts, “dit ter beoordeling van het mogelijke recht op heropening van de WAO-uitkering met ingang van 10 november 2005, de datum waarop [appellant] zich arbeidsongeschikt gemeld heeft.” 1.7. Verzekeringsarts T.E. Jacobs-van der Spek heeft op 24 april 2006 en 29 augustus 2006 over appellant gerapporteerd. 1.8. In een rapport van 2 november 2006 heeft de arbeidsdeskundige J.J.C. Kok geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant - in aansluiting op het einde van de wachttijd van vier weken - met ingang van 7 december 2005 op minder dan 15% dient te worden gesteld. 1.9. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 3 november 2006 geweigerd aan appellant een WAO-uitkering toe te kennen, omdat appellant weliswaar op 7 december 2005 gedurende vier weken arbeidsongeschikt is geweest, maar dat in aansluiting op deze periode de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder dan 15% is. 1.10. Appellant heeft tegen het besluit van 3 november 2006 bezwaar gemaakt. Dat bezwaar is na een verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige herbeoordeling is bij besluit van 3 mei 2007 ongegrond verklaard. 1.11. Hangende het tegen het besluit van 3 mei 2007 door appellant ingesteld beroep heeft het Uwv bij besluit van 27 februari 2008 het bezwaar tegen het besluit van 3 november 2006 - onder intrekking van de besluiten van 3 november 2006 en 3 mei 2007 - alsnog gegrond verklaard. Overwogen is dat ten onrechte is uitgegaan van 8 november 2005 in plaats van 8 november 2004. 1.12. De rechtbank heeft bij brief van 18 maart 2008 het Uwv een aantal vragen gesteld naar aanleiding van het besluit van 27 februari 2008, waarop door het Uwv bij brief van 27 maart 2008 is gereageerd. 1.13. Bij brief van 5 mei 2008 heeft appellant het beroep tegen de besluiten van 3 mei 2007 en 27 februari 2008 ingetrokken. 1.14. Vervolgens heeft de psychiater dr. D.J. Vinkers op 24 juli 2008 op verzoek van verzekeringsarts W.F. Groen een expertiserapport over appellant uitgebracht. 1.15. Mede op basis van het rapport van Vinkers heeft Groen op 13 augustus 2008 een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Daarin zijn beperkingen weergegeven ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren, aanpassing aan fysieke omgevingseisen en dynamische handelingen. Vervolgens is arbeidsdeskundige H. Hoekstra in een rapport van 26 maart 2009 tot de conclusie gekomen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant zowel per 7 november 2004 als per 13 oktober 2008 en de gehele daartussen liggende periode minder dan 15% is. 1.16. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 19 mei 2009 geweigerd aan appellant met ingang van 8 november 2004 een WAO-uitkering toe te kennen, onder de overweging dat appellant met ingang van die datum of binnen vier weken daarna niet toegenomen arbeidsongeschikt is. 1.17. In bezwaar heeft bezwaarverzekeringsarts P. Momberg op 12 oktober 2009 een nieuwe FML ingevuld, waarna bezwaararbeidsdeskundige W.G.E. Buskermolen in een rapport van 21 oktober 2009 - na raadpleging van het CBBS en met toepassing van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zoals dat op 1 oktober 2004 in werking is getreden - heeft geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 8 november 2004 minder dan 15% is. 1.18. In overeenstemming met de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 22 oktober 2009 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 mei 2009 ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 4 november 2005. In het onderhavige beroep is sprake van eenzelfde datum in geding als in het besluit van 4 november 2005, dat formele rechtskracht heeft gekregen. Dat heeft de rechtbank tot de conclusie geleid dat het beroep dient te worden beoordeeld aan de hand van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden met betrekking tot de medische beoordeling van appellant ten tijde van de datum in geding (8 november 2004) en tevens dat het Uwv in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. 3.1. In hoger beroep heeft appellant de juistheid van het oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden. Onder verwijzing naar de besluitvorming van het Uwv met betrekking tot de uitkeringen op grond van de ZW en de WAO is appellant van mening dat de rechtbank ten onrechte een en ander in de sleutel van artikel 4:6 van de Awb heeft geplaatst. Bovendien zijn er wel degelijk nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd. Voorts is aangevoerd dat de rechtbank over het hoofd heeft gezien dat het Uwv een volledige herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant over de periode vanaf 8 november 2004 heeft uitgevoerd. Aan toetsing van dat onderdeel van het bestreden besluit is de rechtbank ten onrechte niet gekomen. 3.2. In het verweerschrift is namens het Uwv - kort samengevat - betoogd (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.