← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BV0176

08/1389 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 januari 2008, 07/0694 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 4 januari 2012 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A. Looijenga, werkzaam bij FNV Bondgenoten, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november

  1. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.J. Ambrosius. II. OVERWEGINGEN
  2. Bij besluit van 9 april 2003 is aan appellant meegedeeld dat de aan hem toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 1 mei 2003 wordt ingetrokken, omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. Bij besluit van 23 september 2003 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 april 2003 ongegrond verklaard.
  3. Bij brief van 28 september 2005 heeft appellant zich bij het Uwv met ingang van 1 mei 2003 ziek gemeld. Het Uwv heeft dit opgevat als een verzoek om terug te komen op het besluit van 9 april 2003 en dit verzoek bij besluit van 7 juli 2006 afgewezen.
  4. Bij besluit van 28 december 2006 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 7 juli 2006 ongegrond verklaard.
  5. De rechtbank heeft het beroep tegen het besreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat niet in geschil is dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar dat het Uwv op goede gronden daarin geen aanleiding heeft gezien om het intrekkingsbesluit te herzien. De door appellant ingebrachte stukken zijn naar het oordeel van de rechtbank door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts meegewogen, zodat de rechtbank geen twijfel had over de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid op de datum in geding en ook geen aanleiding zag voor het inschakelen van een deskundige.
  6. De Raad overweegt het volgende. 5.
  7. Voormeld besluit van 9 april 2003 is in rechte onaantastbaar geworden. Het thans aan de orde zijnde verzoek van appellant van 28 september 2005 strekte ertoe dat het Uwv van dit eerdere besluit terugkomt. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv de zaak in haar geheel opnieuw beoordeeld, hetgeen echter niet tot een andere uitkomst heeft geleid. 5.
  8. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Awb staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. 5.
  9. Ter ondersteuning van zijn verzoek heeft appellant verwezen naar daarbij overgelegde informatie van de Gelderse Roos te Arnhem, waaruit bleek dat hij in januari 2003 naar deze instelling is verwezen en dat bij hem een post traumatische stressstoornis is geconstateerd. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de hiermee samenhangende psychische klachten van appellant het Uwv niet dwongen tot een ander besluit, omdat na een zorgvuldige verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige afweging is geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid geen wijziging onderging. Mitsdien kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.
  10. Uit hetgen onder 5.1 tot en met 5.
  11. is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  12. De Raad acht geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 januari
  13. (get.) Ch. van Voorst. (get.) I.J. Penning. TM

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.