← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BV0198

11/3258 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 20 april 2011, 10/2029 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 4 januari 2012 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november

  1. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer. II. OVERWEGINGEN
  2. Bij brief van 11 oktober 2010 is appellant in kennis gesteld van een besluit, waarbij het bezwaar tegen een besluit tot terugvordering van ten onrechte betaalde Ziektewetuitkering, ongegrond is verklaard.
  3. Bij faxbericht van 23 november 2010 heeft appellant beroep ingesteld tegen het besluit van 11 oktober
  4. De rechtbank heeft vastgesteld dat de termijn voor het instellen van beroep eindigde op 22 november 2010, zodat het beroep niet tijdig is ingesteld. De door appellant genoemde omstandigheden, hierin bestaande dat hij enkele weken last heeft gehad van een hernia heeft gelegen en niet bij machte was een brief te versturen, waren naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig bijzonder dat die een overschrijding van de beroepstermijn konden rechtvaardigen. Uit hetgeen appellant naar voren heeft gebracht is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken dat hij (geheel) niet in staat is geweest om binnen de gestelde termijn een beroepschrift in te (laten) dienen dan wel ter post te (laten) bezorgen. De rechtbank heeft vervolgens met verwijzing naar artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
  5. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat hij de laatste week van de beroepstermijn dermate veel last had van een hernia, dat hij niet in staat was iets zinnigs op papier te zetten.
  6. De Raad ziet in de door appellant aangevoerde argumenten, die niet met medische gegevens zijn onderbouwd, evenals de rechtbank geen reden om aan te nemen dat appellant buiten staat is geweest tijdig een, althans voorlopig, beroepschrift te laten indienen. Hetgeen appellant heeft aangevoerd bevat dan ook geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. De Raad verenigt zich mitsdien met het oordeel van de rechtbank. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  7. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 januari
  8. (get.) Ch. van Voorst. (get.) I.J. Penning. JL

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.