← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BV0252

10/2608 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 april 2010, 09/3883 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 4 januari 2012 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting is aan de orde gesteld op 23 november

  1. Partijen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. II. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat voor zover hier van belang uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als postbesteller voor 10 uur per week. Daarnaast ontving hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. In mei 2004 is hem een auto-ongeval overkomen. Sinds die tijd heeft appellant klachten die passen bij een post whiplash syndroom. Nadat appellant zich op 23 juni 2006 met chronische nekklachten en psychische klachten heeft ziek gemeld, heeft de verzekeringsarts appellant op 21 november 2006 op het spreekuur gezien. Na eigen onderzoek en inlichtingen van de psycholoog, M.E. Goog, en de neuropsycholoog J. Bruins is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat appellant volledig hersteld is voor het eigen werk bij de eigen werkgever. Bij besluit van gelijke datum is op grond daarvan de uitkering van appellant ingevolge de Ziektewet (ZW) met ingang van 27 november 2006 beëindigd. Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt. 1.
  4. Op 26 december 2007 heeft appellant zich wegens griep en koorts alsmede pijnklachten van de grote gewrichten en handen en polsen opnieuw ziek gemeld. In dat kader heeft hij verschillende keren het spreekuur van de verzekeringsarts bezocht. Uiteindelijk is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat appellant weer in staat kan worden geacht om zijn eigen arbeid te verrichten. Bij besluit van 10 juli 2009 wordt de uitkering van appellant ingevolge de ZW met ingang van 13 juli 2009 beëindigd. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft de gemachtigde van appellant rapportages ingebracht van de directrice van het Instituut Psychosofia, Centrum voor spirituele geneeswijze en spirituele dans (hierna: Instituut Psychosofia). Op 13 oktober 2009 heeft in aanwezigheid van de bezwaarverzekeringsarts een hoorzitting plaatsgevonden. Op grond van de tijdens deze zitting verkregen informatie en studie van het aanwezige dossier heeft de bezwaarverzekeringsarts blijkens zijn rapport van 6 november 2009 geen reden gezien om te twijfelen aan de conclusie van de primaire verzekeringsarts. Bij besluit van 9 november 2009 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
  5. Tijdens de beroepsfase heeft appellant verschillende medische stukken overgelegd waaronder een overzichtjournaal van de huisarts, c.q. patiëntenkaart, verschillende brieven van de behandelende specialisten, een overzicht van de medicijnhistorie alsmede een drietal adstructies van Instituut Psychosofia. Het Uwv heeft in de beroepsfase op 7 januari 2010 een nader besluit op bezwaar genomen (hierna: bestreden besluit 2) waarbij uit een oogpunt van zorgvuldigheid appellant met ingang van 14 oktober 2009 geschikt geacht wordt om zijn arbeid te verrichten en mitsdien zijn ZW-uitkering per genoemde datum wordt beëindigd.
  6. Aangezien het bestreden besluit 2 niet geheel tegemoet komt aan de bezwaren van appellant, heeft de rechtbank onder toepassing van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb het beroep tegen het bestreden besluit 1 mede gericht geacht tegen het bestreden besluit
  7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit 1 vanwege het ontvallen van procesbelang, niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Daarnaast heeft de rechtbank bepalingen omtrent proceskostenvergoeding en griffierecht gegeven. Het verzoek van appellant om schadevergoeding heeft de rechtbank afgewezen. Met betrekking tot de inhoudelijke kant van de zaak kan volgens de rechtbank uit de medische stukken niet worden geconcludeerd dat het Uwv een onjuist of onvolledig beeld had van de gezondheidsklachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor het verrichten van arbeid. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 13 mei 2005, LJN BI3737, was de rechtbank van oordeel dat verzekeringsgeneeskundige protocollen niet van toepassing zijn bij een beoordeling in het kader van de ZW. De rechtbank heeft geen aanleiding gevonden voor twijfel aan de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsarts, dat appellant per 14 oktober 2009 geschikt was te achten voor zijn eigen arbeid.
  8. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ten onrechte wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens appellant heeft hij wel degelijk belang bij de vernietiging van het bestreden besluit 1 aangezien hij om schadevergoeding heeft gevraagd. Daarnaast heeft appellant - zakelijk weergegeven - zijn standpunt herhaald dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling onzorgvuldig tot stand is gekomen en de rechtbank niet in staat is gebleken om de medische grondslag onafhankelijk te beoordelen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft de gemachtigde van appellant een adstructie overgelegd van Instituut Psychosofia.
  9. De Raad overweegt als volgt. 5.
  10. In de eerste plaats stelt de Raad vast dat appellant in het voorlopige beroepschrift van 13 november 2009 de rechtbank heeft verzocht om toekenning van schadevergoeding in de zin van wettelijke rente op grond van artikel 8:73 van de Awb. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen is daarmee het belang gegeven dat appellant behoudt bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit
  11. De rechtbank heeft mitsdien ten onrechte geoordeeld dat het belang van appellant inzake het bestreden besluit 1 is komen te vervallen en het beroep daartegen ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De aangevallen uitspraak moet in zoverre worden vernietigd, het bestreden besluit 1 moet eveneens worden vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit 1 moet gegrond worden verklaard. Het verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Awb moet worden toegewezen. Op het Uwv rust de verplichting de schade die verband houdt met vertraagde uitbetaling van de uitkering te vergoeden op de voet van de artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek. In dit geval gaat het over de termijnen vanaf 13 juli
  12. Dit betekent dat de wettelijke rente ingaat op 1 augustus
  13. Over iedere verdere termijn is de wettelijke rente telkens gaan lopen op de eerste dag van de daarop volgende kalendermaand. De wettelijke rente is geëindigd op de dag van de nabetaling. 5.
  14. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde. Volgens vaste jurisprudentie moet onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van de ZW worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Dit betekent dat bij de beoordeling van de vraag of appellant ongeschikt is voor het verrichten van zijn arbeid de functie van postbesteller voor 10 uur per week als maatstaf geldt. 5.
  15. De Raad ziet in de gronden aangevoerd in hoger beroep geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank. De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts over voldoende medische gegevens beschikte om tot een zorgvuldig oordeel te kunnen komen en dat er geen aanwijzingen bestaan dat de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts onjuist zou zijn. De bezwaarverzekeringsarts heeft naar aanleiding van de hoorzitting en het dossieronderzoek geen medisch objectiveerbare ziekte of gebreken kunnen constateren waaruit blijkt dat appellant niet geschikt zou kunnen worden geacht voor zijn arbeid als postbesteller op de datum in geding, 14 oktober
  16. Ook de naderhand door de gemachtigde van appellant overgelegde (medische) informatie heeft volgens de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van 15 december 2009, 1 februari 2010, 26 februari 2010 en 18 juni 2010 niet kunnen leiden tot een ander oordeel ten aanzien van de gezondheidstoestand van appellant per de datum in geding. De adstructies van Instituut Psychosofia bevatten volgens de bezwaarverzekeringsarts geen nieuwe medische gegevens op grond waarvan een bijstelling van het ingenomen standpunt is aangewezen. De Raad stelt dan ook vast dat niet kan worden geoordeeld dat het Uwv de medische situatie van appellant op de datum in geding onjuist heeft ingeschat door hem in staat te achten tot het verrichten van zijn arbeid. 5.
  17. Hetgeen in 5.2 en 5.3 is overwogen leidt tot de slotsom dat de rechtbank het beroep van appellant, gericht tegen de beëindiging van de uitkering ingevolge de ZW per 14 oktober 2009, terecht ongegrond heeft verklaard. In zoverre komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
  18. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 437,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg, op € 437,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, en op € 44,86 en € 37,70 voor de kosten van het opvragen van medische gegevens, in totaal € 956,
  19. De door de gemachtigde van appellant gevraagde vergoeding in verband met het overleggen van de rapporten van Instituut Psychosofia wijst de Raad onder verwijzing naar zijn bestendige jurisprudentie daaromtrent (zie bijvoorbeeld LJN BF9499) af. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak in zoverre het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk wordt verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen; Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond; Vernietigt het bestreden besluit 1; Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige; Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van schade zoals in 5.1 is aangegeven; Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 956,56; Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 152,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 januari
  20. (get.) Ch. van Voorst. (get.) I.J. Penning. KR

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.