← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BV0756

11/4417 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 juni 2011, 10/4624 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College) Datum uitspraak: 9 januari 2012 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. P.A.M. van Leeuwen, advocaat te Schiedam, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november

  1. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Leeuwen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Andel, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. II. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellante ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van een door het College in april 2010 verricht dossieronderzoek, waarbij is gezien dat op bankafschriften geldopnames in het buitenland zijn vermeld, heeft appellante in een gesprek desgevraagd verklaard dat zij in september 2008 gedurende acht dagen met vakantie naar het buitenland is geweest. Ten tijde van dit onderzoek waren van deze vakantie volgens het College daar geen gegevens bekend. 1.
  4. Bij besluit van 12 mei 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 oktober 2010, heeft het College de bijstand van appellante voor de duur van één maand met 5% verlaagd op de grond dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij in 2008 enige tijd met vakantie naar het buitenland ging.
  5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 oktober 2010 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellante niet aan de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft voldaan en dat het College op goede gronden heeft besloten de in geding zijnde maatregel op te leggen.
  6. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.
  7. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  8. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante bekend was met de in de gemeente Rotterdam geldende richtlijn ter uitvoering van artikel 17 van de WWB, dat een bijstandsgerechtigde die van plan is met vakantie naar het buitenland te gaan dit uiterlijk twee weken voor de aanvang van de vakantietermijn moet opgeven door invulling van het formulier ‘aanvraag vakantie/verblijf in het buitenland’ (hierna: vakantieaanvraag). 4.
  9. Appellante stelt in hoger beroep, evenals in beroep, dat zij in 2008 een vakantieaanvraag heeft ingediend en dat het haar niet kan worden aangerekend dat deze niet in het dossier of het systeem van het College is aangetroffen. Zij heeft zelf geen kopie van die aanvraag bewaard. Appellante stelt dat het wel vaker is voorgekomen dat door haar ingediende stukken bij het College zijn zoekgeraakt. Volgens appellante heeft zij altijd tijdig een vakantieaanvraag ingediend en is het in de jaren vóór 2008 vaker voorgekomen dat zij daarop geen antwoord heeft gekregen. Dat heeft volgens haar niet eerder tot problemen geleid. Gelet hierop is zij in de eerste plaats van mening dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, zodat ten onrechte een maatregel is opgelegd. Subsidiair is zij van mening dat, omdat zij niet eerder een op haar rustende verplichting heeft geschonden en niet langer met vakantie in het buitenland is geweest dan is toegestaan, het College had moeten afzien van het opleggen van een maatregel dan wel had moeten volstaan met het geven van een waarschuwing. 4.3.
  10. Het College heeft naar voren gebracht dat in het systeem en in het dossier inzake appellante geen vakantieaanvraag voor het jaar 2008 is te vinden, zodat ervan uit wordt gegaan dat appellante deze niet heeft ingediend. De stelling van appellante dat het eerder is voorgekomen dat door appellante ingediende stukken bij het College zijn zoekgeraakt wordt niet herkend. Ter zitting van de Raad is er namens het College op gewezen dat wel vakantieaanvragen voor 2007, 2009 en 2010 in het dossier aanwezig zijn, evenals de schriftelijke reacties die het College naar aanleiding daarvan naar appellante heeft gestuurd. De schriftelijke reactie op de vakantieaanvraag in 2007 bevat de mededeling dat de gevraagde toestemming wordt verleend. Volgens het College had het uitblijven van een dergelijke reactie op de volgens appellante in 2008 verzonden vakantieaanvraag voor haar aanleiding moeten zijn om bij het College aan de bel te trekken. Zij heeft dat niet gedaan. 4.3.
  11. Ter zitting van de Raad is namens het College het belang van het tijdig indienen van een vakantieaanvraag benadrukt. Een verblijf in het buitenland is een gegeven dat van belang is voor het recht op bijstand en de daaruit voortvloeiende verplichtingen, zodat het College daarvan tijdig op de hoogte moet zijn gesteld. Met betrekking tot de hoogte van de opgelegde maatregel is ter zitting van de Raad aangevoerd dat het College heeft gehandeld in overeenstemming met het in zijn werkvoorschriften vastgestelde beleid ter uitvoering van de van toepassing zijnde Verordening afstemming en handhaving WWB Rotterdam 2009 (hierna: Verordening). Dat beleid houdt in dat als een betrokkene te laat, maar uit eigen beweging, een aanvraag voor vakantie indient en indien geen financieel nadeel is geleden, kan worden volstaan met een waarschuwing. Indien, zoals thans aan de orde, een bijstandgerechtigde met vakantie in het buitenland is geweest en dit in het geheel niet heeft gemeld, ook niet achteraf, wordt indien geen financieel nadeel is geleden, toepassing gegeven aan artikel 9, lid 1, onder a, van de Verordening, waarin de thans in geding zijnde maatregel van 5% verlaging voor de duur van één maand is vermeld. 4.
  12. De Raad is op grond van hetgeen het College heeft aangevoerd, als hiervoor onder 4.3.1 weergegeven, van oordeel dat het College op goede gronden heeft aangenomen dat appellante in 2008 geen vakantieaanvraag heeft ingediend en derhalve de op haar rustende wettelijke inlichtingenver-plichting heeft geschonden. De Raad acht hierbij in het bijzonder van belang dat appellante geen actie heeft ondernomen toen een reactie van het College op het volgens haar ingezonden formulier uitbleef. Dit betekent dat appellante de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rus-tende inlichtingenverplichting niet is nagekomen, zodat het College, nu niet elke vorm van ver-wijtbaarheid ontbreekt, ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden is de bijstand van appellante overeenkomstig de Verordening te verlagen. 4.
  13. Met betrekking tot de zwaarte van de opgelegde maatregel constateert de Raad dat ingevolge artikel 9, lid 1, onder a van de Verordening in combinatie met artikel 6 van de Verordening in be-ginsel een maatregel van 5% over een maand dient te worden opgelegd. In aanmerking genomen het belang dat het College heeft bij een juiste nakoming van deze inlichtingenverplichting ziet de Raad in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de ernst van de ge-draging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van appellante het College aanleiding hadden moeten geven een geringere verlaging op te leggen, of, zoals door appellante bepleit, een waarschuwing te geven. 4.
  14. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  15. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari
  16. (get.) J.C.F. Talman. (get.) J. van Dam. RB

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.