← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BV0781

10/4615 AW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 14 juli 2010, 10/1816 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (hierna: minister) Datum uitspraak: 12 januari 2012 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft een hoger beroepschrift ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december

  1. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.H.M.J. Arets en J.H. van Rooijen, beiden werkzaam bij Loyalis Maatwerkadministraties BV (hierna: Loyalis). II. OVERWEGINGEN
  2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellant ontvangt sinds 1 januari 2000 een wachtgelduitkering op grond van het Rijkswachtgeldbesluit
  4. Bij de betaalspecificatie van april 2009 is in de wachtgelduitkering van appellant een correctie doorgevoerd. Daarbij is in verband met de verhoging met terugwerkende kracht van de eindejaarsuitkering over 2008 een bedrag € 146,32 bruto uitbetaald. Appellant heeft tegen de specificatie bezwaar gemaakt. Bij brief van 1 september 2009 heeft Loyalis aan appellant uitleg gegeven over de wijziging in zijn wachtgelduitkering.
  5. Bij besluit van 1 februari 2010 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
  6. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  7. Naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt. 4.
  8. Aan een betaling van salaris of uitkering ligt in de regel een besluit ten grondslag. Volgens vaste rechtspraak kan dit zichtbaar worden in een salaris- of uitkeringsspecificatie (CRvB 22 april 1999, LJN AA3959 en TAR 1999, 94). Voor zover in (periodieke) betalingen terugkerende elementen voorkomen, is over elk afzonderlijk element alleen een besluit genomen bij de eerste keer dat dit element aan de orde is (CRvB 5 januari 2004, LJN AO2027 en TAR 2004, 76). Bij latere betalingen is (de vermelding van) het element slechts een herhaling van het eerder genomen besluit. Zo'n herhaling is niet op rechtsgevolg gericht en is daarom zelf geen besluit. Er kan dan ook geen bezwaar tegen worden gemaakt. Van een besluit is wel weer sprake voor zover het element wordt gewijzigd. Ook is sprake van een besluit voor zover een betaling een weigering inhoudt van een besluit dat wel genomen had moeten zijn. 4.
  9. De Raad stelt vast dat de betaalspecificatie van april 2009 slechts op het element van de doorwerking van de verhoging van de nominale eindejaarsuitkering een nieuw element bevat ten opzichte van eerdere uitkeringsspecificaties. Tegen de nabetaling van het bedrag van € 146,32 ten gevolge van de verhoging van de nominale eindejaarsuitkering heeft appellant in hoger beroep echter geen gronden aangevoerd. Er is dan ook geen reden voor het oordeel dat de wijzing in de wachtgelduitkering van appellant over april 2009 niet in stand kon blijven. 4.
  10. Voor zover appellant in het kader van deze procedure wederom de (berekening van de) grondslag van de wachtgelduitkering en de doorwerking van de volledige nominale eindejaarsuitkering in de grondslag aan de orde heeft gesteld, is de Raad met verwijzing naar 4.1 van oordeel dat deze elementen, zolang daarin geen wijziging optreedt, niet meer aan de orde kunnen komen. Daarbij betrekt de Raad ook dat de doorwerking van de volledige nominale eindejaarsuitkering in de wachtgelduitkering reeds in een eerdere beroepsprocedure aan de orde is geweest en appellant tegen de desbetreffende uitspraak van de rechtbank geen hoger beroep heeft ingesteld. Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte een inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de berekening van de grondslag van de wachtgelduitkering, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre voor verbetering in aanmerking komt. 4.
  11. Ten overvloede wijst de Raad ter voorlichting van appellant nog op de uitspraak van de Raad van 27 oktober 2011, LJN BU4779, in een enigszins vergelijkbare kwestie.
  12. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak - met verbetering van de gronden - moet worden bevestigd.
  13. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari
  14. (get.) K. Zeilemaker. (get.) M.C. Nijholt. RB

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.