← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BV0817

11/2909 WUBO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K in het geding tussen: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), en de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: verweerder) Datum uitspraak: 12 januari 2012 I. PROCESVERLOOP In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), is in dit geval de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de plaats getreden van de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 9 mei 2011, kenmerk BZ01288237 (hierna: bestreden besluit). Dit besluit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december

  1. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. II. OVERWEGINGEN
  2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellant, geboren in 1930 in het voormalig Nederlands-Indië, is bij besluit van verweerder van 3 juni 1998 erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. Aan hem is met ingang van 1 september 1997 een periodieke uitkering toegekend. 1.
  4. Bij vervolgaanvraag in oktober 2010 heeft appellant verzocht om vergoeding van de kosten van een therapeutische reis naar Indonesië met begeleiding. 1.
  5. Bij besluit van 31 december 2010, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag van appellant afgewezen.
  6. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep naar voren hebben gebracht het volgende. 2.
  7. Gezien de aard van de gevraagde voorziening acht verweerder een vergoeding op grond van artikel 32 van de Wubo slechts mogelijk als voor de reis een strikte medische noodzaak aanwezig is. Een dergelijke noodzaak acht verweerder ingeval van therapeutische reizen slechts aanwezig als wordt voldaan aan onder meer de volgende richtlijnen: a. er is sprake van onverwerkt verdriet, onverwerkte rouw en/of gevoelens van machteloosheid en vernedering die het leven ziekelijk beïnvloeden, en b. het bezoek dient als (hiërarchisch) eindpunt van een therapeutisch behandelproces, en c. er is voorafgaande aan de reis een therapeutische behandelplan. De Raad heeft al meermalen uitgesproken een dergelijke benadering van verweerder, gelet op de aard van de gevraagde voorziening en de daarmee gemoeide kosten, in het algemeen niet onjuist of onredelijk te achten. 2.
  8. Verweerder heeft zich in het geval van appellant op het standpunt gesteld dat aan de gestelde voorwaarden niet is voldaan, omdat geen sprake is van een reis als eindpunt van een psychotherapeutische behandeling op grond van een hiervoor opgesteld behandelplan. De Raad onderschrijft deze zienswijze. Zowel uit het verhandelde ter zitting als uit de beschikbare medische informatie blijkt dat appellant zich niet wenst te onderwerpen aan een psychotherapeutische behandeling. Uit een schrijven van psychiater F. Jacobs van het Sinaïcentrum en het bezwaarschrift van appellant komt naar voren dat appellant zich niet onder behandeling wil stellen omdat hij vreest dat geestelijk niet aan te kunnen. 2.
  9. Op grond hiervan kan de Raad tot geen andere conclusie komen dan dat niet is voldaan aan alle onder 2.1 weergegeven – strikte – vereisten voor toekenning van deze voorziening. De Raad ziet ook niet in dat verweerder in de bijzondere omstandigheden van dit specifieke geval aanleiding had moeten zien om van zijn beleid op dit punt af te wijken. Het is begrijpelijk dat appellant opziet tegen de belasting die een therapeutische behandeling voor hem zou kunnen betekenen. Die kan op zichzelf echter geen reden zijn om niet aan de gestelde voorwaarden vast te houden. 2.
  10. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.
  11. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari
  12. (get.) R. Kooper. (get.) B. Bekkers. RB

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.