← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BV0820

10/3873 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats], (appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 31 mei 2010, 09/1731 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Directeur-Generaal van de Statistiek (directeur-generaal) Datum uitspraak: 5 januari 2012 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De directeur-generaal heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H.W.F.M. Schmitz. De directeur-generaal heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.B. Bollen en [medewerker]. II. OVERWEGINGEN
  2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellant is vanaf 1979 werkzaam bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), laatstelijk als medewerker administratie bij de Staf Centrale Bedrijfsvoering (CBV). Deze functie was ingedeeld in salarisschaal 5 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (Bbra). Appellant werd op persoonlijke titel bezoldigd naar salarisschaal 7 van het Bbra. 1.
  4. Bij besluit van 28 december 2005 is appellant meegedeeld dat hij als gevolg van een reorganisatie van de CBV per 1 januari 2006 is aangewezen als niet-functievolger en dat hij vanaf die datum de zogenaamde 4.6-status heeft gekregen als bedoeld in het Sociaal Plan CBS 2004-
  5. Dat houdt in dat appellant niet wordt aangewezen als herplaatsingskandidaat en dat de directeur-generaal voor appellant een passende functie dient te vinden. 1.
  6. Nadat appellant bezwaar had gemaakt tegen het besluit van 28 december 2005 heeft de directeur-generaal bij besluit van 21 december 2006 appellant meegedeeld dat zijn positie materieel inhoudelijk gelijk gesteld wordt aan die van een herplaatsingskandidaat, waardoor alle herplaatsingsinspanningen en -verplichtingen uit het Algemeen Rijksambtenarenreglement en het Sociaal Plan CBS 2004-2008 op appellant van toepassing zijn. Bij dat besluit is appellant verder meegedeeld dat hij zijn 4.6-status behoudt, dat daarom de herplaatsingstermijn van achttien maanden niet op hem van toepassing is en dat hij niet wordt aangemerkt als herplaatsingskandidaat. 1.
  7. Appellant heeft vanaf 2006 binnen het CBS tijdelijke werkzaamheden verricht en een studie op kosten van het CBS gevolgd. Ondertussen werd gezocht naar een passende functie voor appellant. 1.
  8. Bij besluit van 28 april 2009 is appellant met ingang van 1 mei 2009 geplaatst binnen het functiestramien Statistische Bewerking in de functie van statistisch specialist. Deze functie is ingedeeld in salarisschaal 7 van het Bbra. Bij dat besluit is tevens als gevolg van deze plaatsing de 4.6-status van appellant opgeheven en is bepaald dat op het functiestramien waarin appellant is geplaatst fase 2 van toepassing is als bedoeld in het Sociaal flankerend beleid sector Rijk 2008-2012 (fase 2). Dat laatste houdt in dat naar verwachting het aantal formatieplaatsen in dat functiestramien op termijn zal verminderen. Om overtolligheid dan wel gedwongen standplaatswijzigingen in dat functiestramien te voorkomen zijn in het Sociaal flankerend beleid sector Rijk 2008-2012 (SFB) voorzieningen opgenomen. 1.
  9. Bij het bestreden besluit van 21 augustus 2009 is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
  10. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3.
  11. Appellant heeft zich in hoger beroep onder meer op het standpunt erkend dat de functie van statistisch specialist wat betreft de inhoud een passende functie voor hem is. Plaatsing in een fase 2-functie betekent evenwel volgens appellant dat hij na verloop van tijd zal worden aangewezen als herplaatsingskandidaat. Daarmee wordt naar de mening van appellant in strijd gehandeld met de bij besluit van 21 december 2006 gedane toezegging dat hij niet zal worden aangewezen als herplaatsingskandidaat en dat hij zijn 4.6-status behoudt. In zoverre acht appellant de functie niet passend. 3.
  12. De directeur-generaal heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
  13. De Raad overweegt het volgende. 4.
  14. De Raad stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de functie van statistisch specialist inhoudelijk een passende functie voor appellant is. Partijen verschillen wel van mening over de vraag of die functie passend is gelet op de daaraan verbonden fase 2-status. 4.
  15. Uit de gedingstukken blijkt dat de kern van fase 2 is het voorkomen van de noodzaak om ambtenaren aan te wijzen als herplaatsingskandidaat. De nadruk in fase 2 ligt op het stimuleren van de loopbaan en vrijwillige mobiliteit en uitstroom van de ambtenaren met gebruikmaking van de voorzieningen, zoals beschreven in het SFB. Indien het niet binnen de daarvoor gestelde tijd mogelijk is gebleken boventalligheid, gedwongen functiewijziging en/of gedwongen standplaatswijziging te voorkomen, treedt fase 3 in. In fase 3 worden veranderingen doorgevoerd volgens de regels die gelden voor reorganisaties. Pas in die fase kunnen herplaatsingskandidaten worden aangewezen, maar ook dan is het niet vanzelfsprekend dat appellant wordt aangewezen als herplaatsingskandidaat. 4.
  16. De Raad stelt met de rechtbank vast dat ten tijde van de plaatsing van appellant in de functie van statistisch specialist appellant niet is aangewezen als herplaatsingkandidaat. Dat is ook in overeenstemming met appellants tot dat moment bestaande 4.6-status. Dat appellant in de toekomst eventueel zou kunnen worden aangewezen als herplaatsingskandidaat maakt naar het oordeel van de Raad niet dat de functie van statistisch specialist in alle opzichten niet als passend is aan te merken. De in het besluit van 21 december 2006 gedane toezegging dat appellant zijn 4.6-status behoudt en niet wordt aangewezen als herplaatsingskandidaat is immers gedaan in het kader van de reorganisatie waarop het Sociaal Plan CBS 2004-2008 van toepassing was. Dat betekent naar het oordeel van de Raad dat als appellant in het kader van het Sociaal Plan is geplaatst in een passende functie en dus voldaan is aan de voorwaarde van 4.6 van het Sociaal Plan, de 4.6-status is uitgewerkt. In de daarop volgende reorganisatie, waarop niet het Sociaal Plan maar het SFB van toepassing was, kon appellant dan ook aan die 4.6-status en aan de hem bij besluit van 21 december 2006 gedane toezeggingen geen (verdere) rechten meer ontlenen. Dit zou slechts anders kunnen zijn, indien ten tijde van de plaatsing in die functie reeds bekend was dat appellant op zeer korte termijn zou worden aangewezen als herplaatsingskandidaat. Die situatie deed zich evenwel niet voor.
  17. Gezien het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de functie van statistisch specialist in alle opzichten een passende functie voor appellant is en dat appellant niet ten onrechte in die functie is geplaatst. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden.
  18. De Raad heeft geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en R. Kooper en H.G. Lubberdink als leden, in tegenwoordigheid van S. Werensteijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 januari
  19. (get.) J.G. Treffers. S. Werensteijn. De griffier is buiten staat te tekenen. RB

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.