10/6402 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 18 oktober 2010, 10/2860 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College) Datum uitspraak: 10 januari 2012 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. H.M. Mauritz, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november
- Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door E.J.W. Bruinsma, werkzaam bij de gemeente Utrecht. II. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande ouder. 1.
- Op 27 november 2009 heeft appellant het College telefonisch op de hoogte gesteld van de geboorte van zijn dochtertje op 25 november
- Appellant heeft daarbij verklaard dat hij wel een relatie heeft met de moeder van zijn dochtertje, [R.] (hierna: [R.]), maar dat zij niet samenwonen. Het Team Handhaving van de gemeente Utrecht heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft op 22 maart 2010 een onaangekondigd huisbezoek plaatsgevonden op het woonadres van appellant. In de periode 22 maart 2010 tot en met 24 maart 2010 zijn waarnemingen gedaan bij die woning. Vervolgens heeft er op 1 april 2010 op kantoor van de Sociale Dienst een gesprek plaatsgevonden met appellant. 1.
- De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 1 april 2010 en hebben het College aanleiding gegeven om bij besluit van 4 mei 2010 de bijstand van appellant over de periode van 22 maart 2010 tot 4 mei 2010 in te trekken, de bijstand met ingang van 4 mei 2010 te beëindigen (lees: in te trekken) en de kosten van bijstand over de periode van 22 maart 2010 tot en met 30 april 2010 tot een bedrag van € 703,66 van appellant terug te vorderen. 1.
- Bij besluit van 26 juli 2010 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 4 mei 2010 ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: de rechtbank) het beroep tegen het besluit van 26 juli 2010 ongegrond verklaard.
- In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover het beroep ongegrond is verklaard. Hij heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte en onvoldoende gefundeerd heeft geoordeeld dat het College erin is geslaagd te bewijzen dat [R.] haar hoofdverblijf heeft gehad in de woning van appellant op het adres [adres 1] te Utrecht en dat ten onrechte is gesteld dat er gesproken kan worden van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- De Raad stelt vast dat het College de intrekking van bijstand niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 22 maart 2010 tot en met 4 mei
- 4.
- Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander. 4.
- De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat er een toereikende grondslag is voor de conclusie dat appellant en [R.] in de periode van 22 maart 2010 tot en met 4 mei 2010 beiden hun hoofdverblijf in de woning van appellant hadden, zodat - gelet op het feit dat uit hun relatie een kind is geboren - sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding. Evenals de rechtbank kent de Raad daarbij zwaarwegende betekenis toe aan de gedetailleerde verklaring van appellant, die hij op 1 april 2010 tegenover twee medewerkers van Team Handhaving heeft afgelegd en die is neergelegd in het Gesprekverslag van 1 april 2010, alsmede aan de verklaring van [R.] die zij heeft afgelegd tijdens het huisbezoek op 22 maart
- Uit deze verklaringen kan worden opgemaakt dat [R.] in de hier te beoordelen periode in feite elke dag vóór haar werk als ’s avonds na haar werk in de woning van appellant verbleef om haar dochter te zien en met haar te spelen, en dat, [R.] in tegenstelling tot haar verklaring dat zij bij appellant enkel in de weekenden verbleef, in ieder geval ook de nacht van 31 maart 2010 evenals de twee daaraan voorafgaande doordeweekse nachten bij appellant heeft geslapen. Deze verklaringen vinden bovendien steun in de bevindingen van het huisbezoek op 22 maart 2010 en de waarnemingen die hebben plaatsgevonden in de periode 22 maart 2010 tot en met 24 maart 2010 op wisselende tijden, waarbij de auto van [R.], een [type auto] met het kenteken [kenteken], werd aangetroffen voor de ingang van de woning van appellant. Dat de tijdens het huisbezoek aangetroffen substantiële hoeveelheid kleding van [R.] slechts een fractie van haar garderobe zou zijn, doet aan het vorenstaande niet af. De Raad gaat voorbij aan de stelling dat [R.] op het adres [adres 2] te Utrecht woont en dat dit wordt bevestigd door het uittreksel van de Kamer van Koophandel waar dit adres als woonadres wordt vermeld. Voor de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, moet volgens vaste rechtspraak van de Raad de feitelijke woonsituatie doorslaggevend worden geacht. 4.
- Uit hetgeen onder 4.3 is overwogen vloeit voort dat appellant en [R.] gedurende de periode van 22 maart 2010 tot en met 4 mei 2010 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Nu appellant van die gezamenlijke huishouding geen mededeling heeft gedaan, heeft hij vanaf 22 maart 2010 de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden en is hem ten onrechte als zelfstandig rechtssubject bijstand verleend. Dit betekent dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was de bijstand van appellant vanaf 22 maart 2010 in te trekken. 4.
- De Raad stelt ten slotte vast dat appellant tegen de wijze van gebruikmaking van de bevoegdheid tot intrekking en tegen de terugvordering geen zelfstandige gronden naar voren heeft gebracht. 4.
- Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
- De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari
- (get.) A.B.J. van der Ham. (get.) M.C. Nijholt. Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden ( Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding. NK