← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BV0989

10/6532 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 november 2010, 10/1673 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College) Datum uitspraak: 10 januari 2012 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M. de Boorder, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Boorder. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.A. Bouter, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. II. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellant heeft zich op 28 december 2009 bij het UWV Werkbedrijf gemeld om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen. Op 4 januari 2010 heeft appellant het desbetreffende aanvraagformulier ingediend. 1.
  4. Bij brief van 4 januari 2010 heeft het College appellant meegedeeld dat is besloten de afhandeling van de aanvraag van 4 januari 2010 op te schorten, omdat appellant nog niet alle gevraagde informatie heeft geleverd. Appellant wordt de gelegenheid geboden om de ontbrekende informatie vóór 15 januari 2010 alsnog te leveren. Daarbij gaat het onder meer om een kopie van een geldig legitimatiebewijs. In de brief van 4 januari 2010 heeft het College appellant erop gewezen dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen als appellant niet op tijd reageert of niet alle gevraagde informatie inlevert. Het College heeft appellant er bij deze brief tevens op gewezen dat een nieuwe termijn wordt vastgesteld als appellant tijdig aangeeft dat de gestelde termijn te kort is om alle gevraagde informatie in te leveren. Op 4 januari 2010 heeft het College aan appellant bij wijze van voorschot algemene bijstand in de vorm van een lening verstrekt ter hoogte van een bedrag van € 200,-- in verband met broodnood en de aanschaf van een legitimatiebewijs. Appellant heeft vóór 15 januari 2010 geen kopie van een geldig legitimatiebewijs ingeleverd en heeft niet verzocht om verlenging van de gestelde termijn. Op 19 januari 2010 heeft appellant een deel van de gevraagde informatie ingeleverd met uitzondering van onder meer een kopie van een geldig legitimatiebewijs. 1.
  5. Bij besluit van 19 januari 2010 heeft het College de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld, op de grond dat appellant niet vóór 15 januari 2010 de voor de behandeling van de aanvraag ontbrekende bewijsstukken heeft overgelegd. 1.
  6. Bij besluit van 22 april 2010 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 19 januari 2010 ongegrond verklaard.
  7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 22 april 2010 ongegrond verklaard.
  8. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
  9. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  10. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 4.
  11. Ingevolge artikel 17, derde lid van de WWB stelt het College bij de uitvoering van deze wet de identiteit van de belanghebbende vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1 tot en met 3, van de Wet op de identificatieplicht. Het vierde lid bepaalt dat een ieder verplicht is aan het college desgevraagd een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht te verstrekken, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. 4.
  12. De Raad stelt allereerst vast dat de aanvraag van appellant van 4 januari 2010 een aanvraag om bijstand betreft. Blijkens de Memorie van Toelichting bij artikel 17 van de WWB is legitimeren met een geldig legitimatiebewijs een voorwaarde om aanspraak te kunnen maken op een voorziening ingevolge de WWB. Een belanghebbende kan zich niet met een rijbewijs legitimeren, omdat een rijbewijs de nationaliteit niet vermeldt. Zoals volgt uit overweging 4.
  13. diende het College de identiteit van appellant vast te stellen en diende appellant desgevraagd aan het College een legitimatiebewijs te tonen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College op goede gronden om de gevraagde gegevens, waaronder een kopie van een geldig legitimatiebewijs, heeft verzocht. Deze gegevens zijn immers noodzakelijk om inzicht te krijgen in de actuele situatie van appellant. De grief van appellant dat het College reeds in het bezit is van een kopie van een geldig legitimatiebewijs van appellant slaagt niet, aangezien deze kopie geen inzicht verschaft in de actuele situatie van appellant. Appellant heeft verder aangevoerd dat hij over onvoldoende middelen beschikte om een legitimatiebewijs aan te schaffen. Daarover oordeelt de Raad dat aan appellant op 4 januari 2010 een voorschot is verstrekt voor levensonderhoud en voor het aanvragen van een geldig legitimatiebewijs. Appellant heeft te kennen gegeven dat hij het voorschot diende aan te wenden voor zijn schulden. Schulden kunnen echter niet worden afgewenteld op de WWB. Dat appellant het aan hem verstrekte voorschot heeft besteed aan aflossing van schulden, dient dan ook voor zijn risico te komen. 4.
  14. Appellant heeft aangevoerd dat aan hem geen aanvraagformulier is uitgereikt en dat het College pas eerst bij brief van 4 januari 2010 aan hem kenbaar heeft gemaakt welke stukken hij diende te overleggen in verband met zijn aanvraag. Hieruit moet volgens appellant volgen dat hem geen hersteltermijn is geboden als bedoeld in artikel 4:5 van de Awb om het door het College geconstateerde verzuim te herstellen. De Raad overweegt daartoe dat aannemelijk is dat het appellant vóór 4 januari 2010 duidelijk moest zijn welke stukken hij diende te overleggen, gelet op het feit dat hij tijdens het gesprek op 4 januari 2010 al een aantal benodigde stukken heeft overgelegd. Bij brief van 4 januari 2010 heeft het College appellant in de gelegenheid gesteld de nog ontbrekende stukken vóór 15 januari 2010 alsnog te overleggen. De Raad volgt appellant dan ook niet in zijn standpunt dat aan hem geen hersteltermijn is geboden. 4.
  15. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 21 oktober 2008, LJN BG1395) moet een hersteltermijn als hier aan de orde afgestemd zijn op de aard en de omvang van de gevraagde gegevens en bescheiden. De lengte van die termijn dient zodanig te zijn dat een aanvrager in beginsel in staat kan worden geacht alle gevraagde gegevens en bescheiden voor de afloop van de hersteltermijn aan het bestuursorgaan aan te leveren. Uit een oogpunt van actieve en adequate informatieverstrekking verdient het aanbeveling om een aanvrager te wijzen op de mogelijkheid voor afloop van de hersteltermijn om verlenging van die termijn te vragen ingeval bepaalde gegevens niet of niet meer in het bezit van de aanvrager zijn en medewerking van derde personen of instanties nodig is om de gevraagde gegevens en bescheiden te verkrijgen. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat appellant binnen de gestelde termijn redelijkerwijs kon beschikken over een geldig legitimatiebewijs en deze tijdig kon overleggen. Mocht dit laatste overigens anders zijn geweest dan had het op de weg van appellant gelegen het College binnen de door haar gegeven hersteltermijn hiervan op de hoogte te stellen. Appellant is er in de brief van 4 januari 2010 bovendien op gewezen dat een nieuwe termijn zou worden vastgesteld indien hij tijdig zou aangeven dat hij de gevraagde informatie niet binnen de daarvoor gestelde termijn zou kunnen leveren. De Raad stelt vast dat de gevraagde gegevens niet zijn verstrekt binnen de in de brief van 4 januari 2010 gegeven hersteltermijn en appellant geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om verlenging van de termijn te vragen. 4.
  16. Zoals de Raad eveneens reeds eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 23 juni 2009, LJN BJ0929) brengt de in het kader van een aanvraagprocedure door het bestuursorgaan op grond van artikel 3:2 van de Awb in acht te nemen zorgvuldigheid mee, dat het bestuursorgaan dat de indiener van een aanvraag een als fataal bedoelde termijn stelt om een geconstateerd verzuim te herstellen, daarbij dient aan te geven dat bij het overschrijden van die termijn de kans bestaat dat de aanvraag buiten behandeling zal worden gesteld. Bij brief van 4 januari 2010 heeft het College appellant op deze consequentie gewezen. De Raad volgt appellant dan ook niet in zijn standpunt dat hij niet op de consequenties van het niet overleggen van de gevraagde stukken is gewezen. Met het College is de Raad daarnaast van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn medische situatie niet in staat was een aanvraag in te dienen en aan de daarbij behorende voorwaarden te voldoen. 4.
  17. Gelet op het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat het College op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bevoegd was de aanvraag van appellant buiten behandeling te laten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.
  18. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari
  19. (get.) A.B.J. van der Ham. (get.) M.C. Nijholt. NK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.