← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BV1037

10/3763 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 22 juni 2010, 08/3340 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College) Datum uitspraak: 17 januari 2012 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.J.C. van Haren, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Namens appellante is op 14 november 2011 een door de Raad voorgelegde vraag beantwoord. De zaak is, gevoegd met de zaak met reg.nr. 10/3762 WWB, ter behandeling aan de orde gesteld op 6 december 2011, waar partijen niet zijn verschenen. II. OVERWEGINGEN

  1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  2. Appellante ontvangt sinds 1 augustus 1985 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Zij was tot 1 mei 2008 ontheven van een aantal arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB. Na een medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het College bij besluit van 9 mei 2008 appellante tot en met 8 november 2008 ontheven van diezelfde arbeidsverplichtingen. Bij besluit van 1 oktober 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 9 mei 2008 ongegrond verklaard.
  3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 oktober 2008 ongegrond verklaard.
  4. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.
  5. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  6. De Raad ziet zich, ambtshalve, gesteld voor de vraag of appellante voldoende procesbelang heeft bij een beoordeling van haar hoger beroep. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat sprake is van voldoende procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. 4.
  7. Appellante beoogt met het hoger beroep te bewerkstelligen dat zij langer wordt ontheven van haar arbeidsverplichtingen. Ter zitting bij de rechtbank heeft de vertegenwoordiger van het College meegedeeld dat de onder 1.1 vermelde ontheffing van de arbeidsverplichtingen is verlengd tot 27 juli
  8. Dit brengt met zich mee dat appellante geen actueel (proces)belang meer heeft bij een beoordeling van haar hoger beroep. Niet gesteld of gebleken is dat appellante schade heeft geleden als gevolg van het besluit van 9 mei
  9. Ook overigens is de Raad niet van enig in aanmerking te nemen en/of rechtens te honoreren belang gebleken. 4.
  10. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
  11. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari
  12. (get.) N.J. van Vulpen-Grootjans. (get.) E. Heemsbergen. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.