10/1857 WUV Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K in het geding tussen: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Pensioen en Uitkeringsraad (hierna: verweerder) Datum uitspraak: 19 januari 2012 I. PROCESVERLOOP Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 12 maart 2010, kenmerk BZ 48654, JZ/Y70/2010 (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940 1945 (Wuv). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december
- Voor appellant is verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel. II. OVERWEGINGEN
- Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant is in 1933 geboren in het toenmalig Nederlands-Indië. Hij heeft in februari 2006 bij verweerder een aanvraag ingediend om op grond van de Wuv in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering. In dat verband heeft appellant gewezen op zijn ervaringen tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië en in het bijzonder op het omkomen van zijn vader in 1944 bij de torpedering van de Junyo Maru. 1.
- Verweerder heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 9 januari 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 april 2007, op de grond - voor zover hier van belang - dat bij appellant geen sprake is van ziekten of gebreken die redelijkerwijs verband houden met het overlijden van zijn vader, zodat er geen aanleiding bestaat appellant met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wuv met de vervolgde gelijk te stellen. 1.
- Bij uitspraak van 7 augustus 2008, 07/2617 WUV (LJN BE9215), heeft de Raad het beroep van appellant ongegrond verklaard. De Raad overwoog kort samengevat dat verweerder zich op grond van de beschikbare medische gegevens, waaronder een rapport van een door de arts J.J. Nasheed-Linssen bij appellant verricht medisch onderzoek, op het onder 1.2 omschreven standpunt heeft mogen stellen. Uit dit rapport komt naar voren dat de (lichte) psychische klachten van appellant voornamelijk voortvloeien uit de naoorlogse periode van zwerven en het niet erkend zijn door zijn vader. De steeds terugkerende herinneringen zien ook op deze periode en hebben voorts geen kenmerken van onverwerkte rouw betreffende zijn vader. 1.
- Bij brief van 21 april 2009 heeft appellant een nieuwe aanvraag op grond van, onder meer, de Wuv ingediend. Daarbij heeft hij gewezen op het besluit van de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling (CAOR) van 12 maart 2008, waarbij na bezwaar is aanvaard dat bij appellant sprake is van psychisch oorlogsletsel in de zin van artikel 1 van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR), en dat hij op grond van causale klachten blijvend voor 20% ongeschikt is te achten voor het verrichten van passende arbeid. 1.
- Bij besluit van 28 augustus 2009, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.
- Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt. 2.
- Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wuv kan verweerster voor zover hier van belang - met de vervolgde gelijk stellen de persoon die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomst vertonen met de vervolging, indien het niet toepassen van de wet ten aanzien van deze persoon een klaarblijkelijke hardheid zou zijn. 2.
- Naar aanleiding van de nieuwe aanvraag van appellant heeft verweerder diens klachten opnieuw medisch laten beoordelen. Verweerder heeft zich dus niet beperkt tot de vraag of appellant nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die een ander licht werpen op de eerdere afwijzing, maar de zaak opnieuw in volle omvang bezien. 2.
- In het kader van die beoordeling heeft verweerders geneeskundig adviseur, de arts A.A. Coster, een medisch onderzoek ingesteld. Bij haar advisering heeft deze arts tevens het advies van de arts F.A.M. van den Brand betrokken, dat ten grondslag heeft gelegen aan het onder 1.4 genoemde besluit van de CAOR. Haar conclusie luidt dat, hoewel de psychische klachten zijn toegenomen, het omkomen van de vader van appellant daarin nog altijd een ondergeschikte rol speelt. 2.
- Verweerder heeft het bezwaar van appellant om advies voorgelegd aan een andere geneeskundig adviseur, de arts G.L.G. Kho. Deze heeft het advies van Coster onderschreven. De in bezwaar nader overgelegde medische verklaringen van Van den Brand en de huisarts leiden volgens Kho niet tot een ander oordeel. 2.
- De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze advisering deugdelijk voorbereid en voldoende gemotiveerd. In de beschikbare medische gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt dat verweerder, in het voetspoor van zijn geneeskundig adviseurs, heeft ingenomen. Daarbij is van belang dat voor de toepassing van de AOR andere in dit geval ruimere maatstaven gelden dan voor de toepassing van de Wuv. Om die reden kan aan de adviezen van Van den Brand niet de betekenis worden gehecht die appellant eraan toegekend wil zien. De verklaring van de huisarts mondt uit in de constatering dat het leven van appellant is mislukt door de oorlog, maar het omkomen van de vader is slechts één van de vele daarbij genoemde factoren. Over het verband tussen de dood van de vader en de psychische klachten heeft de huisarts zich niet uitgelaten. 2.
- Het beroep moet dus ongegrond worden verklaard.
- Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari
- (get.) A. Beuker-Tilstra. (get.) J.M. Tason Avila. IJ