← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BV1418

11/1072 ANW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 december 2010, 09/222 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb). Datum uitspraak: 20 januari 2012 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.J. Weldam, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december

  1. Namens appellante is verschenen mr. Weldam. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellante heeft een relatie gehad met L.]. Uit deze relatie is [in] 1986 een zoon, [V.], geboren. In december 1994 is [L.] overleden. 1.
  3. In mei 2008 heeft appellante de Svb verzocht om toekenning voor haar zoon van een halfwezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW). 1.
  4. Bij besluit van 12 juni 2008 heeft de Svb een halfwezenuitkering geweigerd op de grond dat [V.] meerderjarig is. 1.
  5. Bij besluit op bezwaar van 9 december 2008 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen voornoemd besluit gegrond verklaard en is aan appellante alsnog over de periode van 1 mei 2003 tot en met 30 juni 2004 een halfwezenuitkering toegekend. Daarbij is overwogen dat de Svb voor aanvragen naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 21 juli 2006, LJN AY5560, in het kader van de toepassing van artikel 33 van de ANW het beleid hanteert dat altijd sprake is van een bijzonder geval. Verder heeft de Svb vastgesteld dat in het geval van appellante sprake is van financiële hardheid. Vervolgens is met vijf jaar terugwerkende kracht vanaf de datum van de aanvraag een halfwezenuitkering toegekend, tot de datum waarop [V.] de 18-jarige leeftijd heeft bereikt. 2.
  6. Appellante heeft beroep ingesteld tegen de ingangsdatum van de halfwezenuitkering. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat ten onrechte aan haar vanaf 1 juli 1996 een uitkering wordt ontzegd. In dit verband heeft appellante gewezen op voornoemde uitspraak van de Raad, waarin volgens haar onder meer is bepaald dat een halfwezenuitkering met meer dan vijf jaar terugwerkende kracht dient te worden verstrekt. 2.
  7. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  8. Appellante heeft in hoger beroep haar in beroep naar voren gebrachte gronden in essentie herhaald. In het bijzonder is aangevoerd dat ten onrechte onderscheid wordt gemaakt tussen de situatie waarin eerder aanspraak is gemaakt op een uitkering en de situatie waarin aanspraak wordt gemaakt op het moment dat in rechte is uitgemaakt dat er sprake is van onrechtmatige wetgeving. Volgens appellante verkeert zij in een identieke situatie als die van de betrokkene in de uitspraak van 21 juli
  9. Ter zitting is in aanvulling hierop betoogd dat sprake is van schending van artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Voorts is appellante van mening dat, in gevallen als die van appellante, een overgangsregeling zou moeten bestaan, zodat rechthebbenden de tijd hebben om met volledige terugwerkende kracht aanspraak te kunnen maken op een uitkering. 4.
  10. De Raad overweegt het volgende. 4.
  11. Ook in hoger beroep is tussen partijen slechts in geschil of de Svb terecht heeft besloten om eerst met ingang van 1 mei 2003 een halfwezenuitkering aan appellante toe te kennen. 4.
  12. De Svb heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 33, vierde lid, van de ANW. Ingevolge dit artikellid kan het recht op nabestaandenuitkering niet worden vastgesteld over tijdvakken gelegen voor één jaar voorafgaande aan de dag waarop de Svb de aanvraag heeft ontvangen. In de tweede volzin van dit artikellid is voorts bepaald dat de Svb in bijzondere gevallen bevoegd is af te wijken van het bepaalde in de eerste volzin. 4.
  13. Ten aanzien van aanvragen die zijn ingediend naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 21 juli 2006, voert de Svb het beleid dat altijd sprake is van een bijzonder geval. Indien het van financiële hardheid zou getuigen, te volstaan met een terugwerkende kracht van één jaar, wordt de uitkering toegekend met een maximum van vijf jaar gerekend vanaf het moment van de aanvraag. 4.
  14. De Svb heeft overeenkomstig dit beleid gehandeld door in het geval van appellante aan te nemen dat sprake is van een bijzonder geval en van financiële hardheid. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat aan de aanvraag van appellante om toekenning van een halfwezenuitkering terecht een terugwerkende kracht is toegekend van maximaal vijf jaar. 4.
  15. Ten aanzien van de stelling van appellante dat sprake is van schending van artikel 26 IVBPR merkt de Raad vooreerst op dat hij voorbij gaat aan het standpunt van de Svb ter zitting dat deze grief tardief is ingebracht. Met appellante acht de Raad deze hoger beroepsgrond besloten te liggen in de verwijzing naar de uitspraak van 21 juni 2006, en in hetgeen reeds in beroep en hoger beroep hieromtrent naar voren is gebracht. 4.
  16. De Raad overweegt voorts dat hij in de uitspraak van 21 juni 2006 een schending heeft aangenomen van artikel 26 IVBPR in het geval van de betrokkene in die uitspraak, aan wie een halfwezenuitkering was geweigerd op de grond dat haar partner voor de inwerkingtreding van de ANW op 1 juli 1996 was overleden. Deze schending was gelegen in het onderscheid waardoor kinderen als de zoon van die betrokkene werden getroffen waarvoor de wettigheid van geboorte bepalend was. De Raad achtte hiervoor onvoldoende rechtvaardiging gegeven voor de jegens de kinderen op geboorte berustende discriminatoire doorwerking na 1 juli
  17. 4.
  18. Uit de uitspraak van 21 juli 2006 vloeit niet voort dat het recht op uitkering moet worden beoordeeld met een langere terugwerkende kracht dan van vijf jaar. In aanmerking genomen dat in die uitspraak sprake was van een aanvraag uit januari 2001, zoals de Svb genoegzaam heeft gemotiveerd, werd de mate van terugwerkende kracht echter beperkt door de datum waarop de ANW in werking is getreden, zijnde 1 juli
  19. Van een verschillende behandeling ten aanzien van voornoemde uitspraak, gelegen in de mate van terugwerkende kracht, is de Raad dan ook niet gebleken. De Raad kan appellante dan ook niet volgen in haar stelling dat in haar geval sprake is van schending van artikel 26 IVBPR. 4.
  20. Voor een door appellante voorgestane overgangsregeling in die zin dat gedurende een bepaalde termijn na het doen van de meergenoemde uitspraak van 21 juli 2006 elke aanvraag bij honorering - met voorbijgaan aan artikel 33 van de ANW en met in het kader van de toepassing van dat artikel door het Svb gevoerde beleid - een terugwerkende kracht tot en met 1 juli 1996 zou krijgen, ziet de Raad geen aanleiding. De Raad wijst erop dat geen rechtsregel er aan in de weg had gestaan dat appellante al eerder en ook voor het doen van de uitspraak van 21 juli 2006 een aanvraag had kunnen indienen, bijvoorbeeld met het oogmerk om haar aanspraken veilig te stellen. 4.
  21. Uit de overwegingen 4.2 tot en met 4.9 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  22. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari
  23. (get.) C.W.J. Schoor. (get.) G.J. van Gendt. EK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.