← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BV1425

11/1206 AOW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te Suriname (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 december 2010, 10/4679 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb). Datum uitspraak: 20 januari 2012 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december

  1. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellante heeft in augustus 2003 de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. In december 2009 heeft appellante een aanvraag ingediend om toekenning van een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). 1.
  3. Bij besluit van 2 maart 2010 heeft de Svb aan appellante met ingang van december 2008 een AOW-pensioen toegekend. 1.
  4. Appellante heeft tegen voornoemd besluit bezwaar gemaakt. Nadien heeft [naam broer], broer van appellante, zich als haar gemachtigde gesteld. 1.
  5. Bij beslissing op bezwaar van 12 mei 2010 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 2 maart 2010 ongegrond verklaard. 2.
  6. Appellante heeft tegen het bestreden besluit bij brief van 15 september 2010, door de rechtbank ontvangen op 28 september 2010, beroep ingesteld. 2.
  7. De rechtbank heeft appellantes beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat de beroepstermijn is overschreden en niet is gebleken dat appellante redelijkerwijs niet in verzuim is geweest.
  8. In hoger beroep heeft appellante ten aanzien van de overschrijding van de beroepstermijn naar voren gebracht dat haar broer ernstig patiënt is, dat hij door specialisten wordt behandeld en dat zijn gezondheidstoestand verslechtert. Verder heeft appellante inhoudelijke grieven aangevoerd. 4.
  9. De Raad overweegt het volgende. 4.
  10. De Raad stelt vast dat de beroepstermijn van 6 weken in dit geval op 23 juni 2010 is verstreken en dat het beroepschrift op 28 september 2010 door de rechtbank is ontvangen. Het beroep is derhalve niet tijdig ingediend. 4.
  11. Een overschrijding van de termijn laat zich door de door appellante aangevoerde omstandigheden niet verontschuldigen met toepassing van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met de rechtbank overweegt de Raad dat niet met medische stukken is onderbouwd dat appellantes gemachtigde vanwege zijn gezondheidsklachten gedurende de gehele beroepstermijn buiten staat is geweest een beroepschrift in te dienen. Evenmin is met medische stukken aannemelijk gemaakt dat appellante na haar ziekenhuisopname niet zelf tijdig beroep had kunnen instellen. De rechtbank heeft het beroep dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. 4.
  12. Uit de overwegingen 4.2 en 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  13. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari
  14. (get.) C.W.J. Schoor. (get.) G.J. van Gendt. TM

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.