← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BV1792

10/305 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 december 2009, 09/2357 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College) Datum uitspraak: 24 januari 2012 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. R. Kuijer, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kuijer. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Keehnen, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. II. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellant ontvangt vanaf 29 november 2000 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een in november 2007 ontvangen melding van de Belastingdienst over twee niet bij het College bekende bankrekeningen op naam van appellant, heeft het College een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is onderzoek verricht door de sociale recherche te Rotterdam. Dit onderzoek heeft onder meer bestaan uit het opvragen van gegevens bij ABN AMRO N.V. (ABN AMRO), Robeco Direct B.V. (Robeco) en de Postbank N.V. (Postbank) en het verhoor van appellant op 26 juni
  4. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van 3 februari
  5. 1.
  6. Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft het College bij besluit van 3 februari 2009 de bijstand van appellant over de periode van 14 juli 2005 tot en met 14 januari 2008 herzien (lees: ingetrokken) en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 32.334,51 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 22 juni 2009 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 februari 2009 ongegrond verklaard. Aan het besluit op bezwaar ligt ten grondslag dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen opgave te doen van een bankrekening bij ABN AMRO met nummer [rekening 1] (hierna: rekening 1.) en een rekening bij Robeco met nummer [rekening 2] (hierna: rekening 2.) en van het tegoed op deze rekeningen. Appellant had in de periode van 14 juli 2005 tot en met 14 januari 2008 geen recht had op bijstand omdat zijn vermogen hoger was dan de voor hem toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen.
  7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 22 juni 2009 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
  8. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. De niet door hem opgegeven rekeningen heeft hij geopend op verzoek van zijn in Suriname wonende ouders en broer, het geld op deze rekeningen behoort aan hen toe en hij heeft hierover niet kunnen beschikken. Naar aanleiding van zijn uiteenzetting over het gebeurde heeft het Openbaar Ministerie de strafzaak tegen hem geseponeerd. Daarnaast is er nimmer sprake geweest van enig geldelijk gewin van appellant zodat ten onrechte een bedrag van € 32.334,51 van hem wordt teruggevorderd. Appellant heeft nog ter zitting betoogd dat niet gedurende de gehele in geding zijnde periode sprake is geweest van een overschrijding van de voor hem geldende vermogensgrens, omdat de door hem in 2005 ontvangen verhuiskostenvergoeding ter hoogte van € 4.000,-- op zijn vermogen in mindering dient te worden gebracht.
  9. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  10. Naar vaste rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. In lijn daarmee is de Raad van oordeel dat het aan appellant is om met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat hij niet heeft kunnen beschikken over de saldi op de op zijn naam staande rekeningen. 4.
  11. Appellant heeft zijn stelling, dat hij niet feitelijk over het op deze bankrekeningen staande vermogen heeft beschikt of redelijkerwijs kon beschikken, niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Aan de hand van de afschriften van rekening
  12. is de Raad niet gebleken dat hierop alleen transacties in het buitenland hebben plaatsgevonden, voor welk doel appellant deze rekening voor zijn broer stelt te hebben geopend. De Raad stelt vast dat hierop met name overschrijvingen in Nederland hebben plaatsgevonden. Daarnaast is deze rekening op 15 juni 2006 geopend door middel van een kasstorting van € 4.000,-- waarbij niet is aangetoond dat dit bedrag afkomstig is van de broer van appellant. Uit het verkregen mutatieoverzicht van rekening
  13. is de Raad voorts gebleken dat deze rekening alleen op naam van appellant staat en niet mede op naam van zijn ouders, dat hierop vanaf november 2006 tot en met juni 2007 met grote regelmaat stortingen hebben plaatsgevonden van elk ongeveer € 8.995,-- en dat op andere momenten diverse grote opnames van deze rekening hebben plaatsgevonden. Het standpunt van appellant dat de eerstbedoelde transacties door zijn ouders zijn gedaan, omdat zij vanuit Suriname wilden oefenen met internetbankieren is door appellant evenmin aan de hand van verifieerbare gegevens aangetoond, terwijl ook hier niet is komen vast te staan waaraan de opgenomen bedragen zijn besteed. 4.
  14. De omstandigheid dat de strafzaak tegen appellant is geseponeerd doet aan het voorgaande geen afbreuk. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, waaronder zijn uitspraak van 11 januari 2011, LJN BP1656, is de bestuursrechter immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is. 4.
  15. Het standpunt van appellant dat hij niet gedurende de gehele in geding zijnde periode over een vermogen boven de voor hem geldende vermogensgrens heeft beschikt, slaagt evenmin nu de Raad op basis van de gedingstukken is gebleken dat de verhuiskostenvergoeding in twee termijnen is betaald, te weten op 16 december 2005 een bedrag van € 3.000,-- en op 10 april 2006 een bedrag van € 1.635,
  16. Indien deze vergoedingen op het vermogen van appellant in mindering worden gebracht, heeft appellant nog steeds ook op die momenten over een vermogen boven de voor hem geldende grens beschikt. 4.
  17. Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant in de in geding zijnde periode over vermogen boven de voor hem geldende vermogensgrens heeft beschikt dan wel heeft kunnen beschikken. Door hiervan geen melding te maken heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. 4.
  18. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over de in geding zijnde periode in te trekken en dat het College tevens bevoegd was om op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de gemaakte kosten van bijstand over die periode van appellant terug te vorderen. De beroepsgrond van appellant, inhoudend dat hij feitelijk nooit van de tegoeden op de rekeningen heeft geprofiteerd en dat de terugvordering van € 32.334,51 daarom disproportioneel is, is gericht tegen de wijze waarop het College van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft gemaakt. De Raad ziet in dit betoog geen dringende reden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. 4.
  19. Gezien het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
  20. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en E.J. Govaers en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari
  21. (get.) J.F. Bandringa. (get.) I. Mos. IJ

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.