09/6136 MAW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats], (appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 september 2009, 08/8008 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Staatssecretaris van Defensie, thans de Minister van Defensie (minister) Datum uitspraak: 19 januari 2012 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Staatssecretaris van Defensie heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december
- Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C.H. Pot. II. OVERWEGINGEN
- Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Defensie, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie.
- De Raad verwijst voor een uitgebreidere weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. 2.
- Appellant was vanaf 2005 werkzaam als adjudant onderofficier in de functie van [naam functie] bij [naam onderdeel], onderdeel van 310 Herstelcompagnie. Begin 2007 is hij tijdelijk tewerkgesteld bij de Lokaal Facilitaire Dienst te Ede (LFD). 2.
- Bij besluit van 4 april 2008 is appellant met toepassing van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 39a, aanhef en onder e, van het Algemeen militair ambtenarenreglement met ingang van 1 juli 2008 functioneel leeftijdsontslag (FLO) verleend. Op 15 mei 2008 heeft appellant een aanvraag ingediend tot vrijwillig nadienen vanaf 1 juli
- Bij besluit van 5 augustus 2008 is die aanvraag afgewezen. Bij het bestreden besluit van 25 september 2008 heeft de minister de bezwaren van appellant tegen besluiten van 4 april 2008 en 5 augustus 2008 ongegrond verklaard. Ten aanzien van de gehandhaafde afwijzing van appellants aanvraag tot nadienen heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat die aanvraag niet binnen de daarvoor in de Beleidsnota vrijwillig nadienen militairen van 16 juli 2001 (Beleidsnota) gestelde termijn van negen maanden voor de datum van zijn FLO is ingediend. De minister heeft het ontslagbesluit gehandhaafd, omdat appellant geen andere argumenten daartegen heeft aangevoerd dan dat zijn aanvraag tot nadienen ten onrechte is afgewezen.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende. 4.
- De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat de minister met de Beleidsnota, voorzover daarbij de sluitingstermijn voor het indienen van de aanvraag tot nadienen is vastgesteld op uiterlijk negen maanden voor de reguliere datum van het leeftijdsontslag, binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat appellant zijn aanvraag tot nadienen minder dan twee maanden voor de datum van zijn FLO heeft ingediend. Ten aanzien van appellants stelling dat hij niet op de hoogte was van de termijn voor het indienen van een aanvraag tot nadienen heeft de rechtbank overwogen dat het voor rekening en risico van appellant komt dat hij zich niet tijdig bij Personeelszaken over de voorwaarden waaronder kan worden nagediend heeft laten voorlichten. Aangezien appellant zijn stelling dat de minister normaliter en in afwijking van de Beleidsnota te laat ingediende aanvragen placht toe te wijzen niet nader heeft onderbouwd, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor de conclusie dat sprake is geweest van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de (gehandhaafde) afwijzing van de aanvraag tot nadienen niet voor vernietiging in aanmerking komt en dat daaruit volgt dat ook (de handhaving van) het ontslagbesluit standhoudt. 4.
- De Raad onderschrijft hetgeen door de rechtbank is overwogen en verwijst daarnaar. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, voegt de Raad daaraan nog het volgende toe. 4.2.
- Appellant heeft gesteld dat hij al eind 2007/ begin 2008 de commandant LFD heeft meegedeeld dat hij wilde nadienen. Nog afgezien van de vraag of deze mededeling gezien kan worden als een aanvraag tot vrijwillig nadienen als bedoeld in de Beleidsnota, is ook deze mededeling niet negen maanden voor de datum van appellants FLO gedaan. Dat appellant reeds in september 2007 met zijn direct leidinggevende over nadienen heeft gesproken, zoals door appellant is gesteld, is door hem niet aannemelijk gemaakt. 4.2.
- De Raad overweegt voorts dat door appellant geen bijzondere omstandigheden naar voren zijn gebracht op grond waarvan de minister met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in dit concrete geval van zijn beleid had moeten afwijken. 4.
- De Raad komt dan ook tot de conclusie dat de minister terecht de aanvraag van appellant tot vrijwillig nadienen heeft afgewezen. Hieruit vloeit voort dat de minister ook terecht appellant per 1 juli 2008 ontslag uit de militaire dienst heeft verleend, nu appellant uitsluitend daartegen heeft aangevoerd dat dat ontslagbesluit niet in stand kan blijven vanwege de naar zijn mening ten onrechte afwijzing van zijn aanvraag tot nadienen.
- Gelet op het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
- De Raad acht geen temen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en M.C. Bruning en W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari
- (get.) K. Zeilemaker. (get.) J. van Dam. HD