← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BV1938

10/4968 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 26 juli 2010, 10/82 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen appellante en de Raad van bestuur van het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 25 januari 2012 I. PROCESVERLOOP Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. H. Hulshof, advocaat te Emmeloord. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Namens appellante heeft mr. Hulshof bij brief van 12 mei 2011 nog nadere stukken in het geding gebracht. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december

  1. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hulshof. Tevens was A. Dahmani aanwezig als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind. II. OVERWEGINGEN
  2. Appellante heeft zich op 20 juli 2009 vanuit de situatie dat zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving ziek gemeld in verband met hoofdpijn en buikklachten. Aan appellante is toen een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Vervolgens is appellante door verzekeringsarts A.J. Brenkman gezien op het spreekuur van 18 september
  3. Brenkman heeft appellante met ingang van 21 september 2009 hersteld verklaard voor het laatstelijk verrichte werk als medewerker visverwerkingsindustrie. Dienovereenkomstig heeft het Uwv appellante bij besluit van 18 september 2009 medegedeeld dat zij met ingang van 21 september 2009 geen recht (meer) heeft op ziekengeld. Bij besluit van 10 december 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 september 2009 ongegrond verklaard.
  4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
  5. In hoger beroep benadrukt appellante dat haar ziekmelding verband hield met hoofdpijn, duizeligheid en slapeloosheid. Weliswaar heeft zij ook darmklachten, maar deze waren niet de reden voor ziekmelding. Daarnaast stelt zij dat, door taalproblemen, de verzekeringsarts geen goed en duidelijk beeld heeft gekregen van haar klachten. Ten onrechte is door Brenkman geen informatie van de huisarts opgevraagd. 4.
  6. De Raad overweegt als volgt. 4.
  7. In geding is de vraag of appellante op 21 september 2009 geschikt was de maatgevende arbeid te verrichten. De bezwaarverzekeringsarts M. Bakker heeft informatie van de huisarts van appellante opgevraagd. Naar het oordeel van de Raad heeft zij vervolgens terecht geconcludeerd dat appellante ondanks de klachten en de gestelde diagnoses in staat moest worden geacht haar maatgevende arbeid te kunnen verrichten. De Raad merkt op dat de verzekeringsarts uitdrukkelijk spreekt over klachten in verband met duizeligheid en flauwvallen. De bezwaarverzekeringsarts was, met name via informatie van de huisarts, op de hoogte van de hoofdpijnklachten en de bloedarmoede. Van een onjuist bij deze artsen bestaand beeld van de situatie van appellante was dus geen sprake. Door Brenkman is met recht opgemerkt dat een objectivering van de gestelde klachten ontbreekt. Medische informatie waaruit zou zijn af te leiden dat de gestelde klachten ernstig zijn en tot meer beperkingen zouden moeten leiden, is niet in het geding gebracht. 4.
  8. In hoger beroep is namens appellante een nader besluit van het Uwv ingezonden van 28 maart
  9. In dat besluit is de herstelverklaring per 28 september 2010 niet langer gehandhaafd en is appellante doorlopend arbeidsongeschikt in de zin van de ZW beschouwd. Naar de stelling van appellante moet hieruit geconcludeerd worden dat de in dit geding ter beoordeling staande hersteldmelding per 21 september 2009 geen stand kan houden. De Raad overweegt dat de arbeidsongeschiktheid in september 2010 betrekking had op rugklachten. Op de datum in geding, 21 september 2009, was hiervan, gezien met name het huisartsenjournaal (volgens welke zij zich eerst in augustus 2010 bij deze arts heeft gemeld met rugpijn), nog geen sprake. Het is de Raad niet gebleken van andere beperkingen die appellante beletten op die datum haar werk te verrichten. 4.
  10. Uit 4.2 en 4.3 volgt dat de Raad de aangevallen uitspraak zal bevestigen.
  11. De Raad ziet geen gronden voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari
  12. (get.) J. Riphagen. (get.) H.L. Schoor. KR

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.