← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BV1951

10/6099 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 18 oktober 2010, 10/1292 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Datum uitspraak: 20 januari 2012 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. L. Boon, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met daarbij een rapport van de bezwaarverzekeringsarts C.H.M. Heeskens-Reijnen van 30 november

  1. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december
  2. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Boon. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali. II. OVERWEGINGEN
  3. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende. 2.
  4. Appellante, laatstelijk werkzaam als purser gedurende 40 uur per week, ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk berekend werd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 2.
  5. Appellante is in het kader van een herbeoordeling op 5 juni 2009 onderzocht door de verzekeringsarts A.B. Schippers-Juergens. In een rapport van 5 juni 2009 heeft de verzekeringsarts anamnese afgenomen. Volgens appellante betreffen het met name psychische klachten als gevolg van meerdere grote life events, zich uitend in nervositas, emotionaliteit en piekeren. Na beëindiging van groepstherapie in 2006, heeft zij nog individuele psychische begeleiding. Bij het psychisch onderzoek vindt de verzekeringsarts een aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken. Appellante is beperkt ten aanzien van mentaal belastende activiteiten zoals aangegeven in een eerdere Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 16 oktober
  6. De eerder vastgestelde urenbeperking van maximaal 8 uur per dag, gedurende 40 uur per week, is ongewijzigd van kracht. De verzekeringsarts heeft de beperkingen neergelegd in een FML van 5 juni
  7. Bij het arbeidskundig onderzoek is vervolgens na functieduiding vastgesteld dat geen sprake was van een verlies aan verdienvermogen. Hierna heeft het Uwv bij besluit van 19 oktober 2009 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 20 december 2009 ingetrokken. 2.
  8. In de bezwaarfase is onderzoek verricht door bezwaarverzekeringsarts C.H.M. Heeskens-Reijnen. Deze arts is bij de hoorzitting aanwezig geweest en heeft informatie opgevraagd bij GGZ Oost Brabant. De reactie van 8 maart 2010 van de GGZ heeft de bezwaarverzekeringsarts bij haar beoordeling betrokken. In haar rapport van 15 maart 2010 heeft zij aangegeven dat het medisch beeld zoals uit de brief van 8 maart 2010 naar voren komt, niet afwijkt van het beeld dat de primaire verzekeringsarts vaststelde. Er is sprake van een voorlopig gestabiliseerd medisch toestandbeeld. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellante, zoals weergegeven in de FML van 5 juni 2009, niet is overschat. Na onderschrijving van het arbeidskundig onderzoek door de bezwaararbeidsdeskundige, heeft het Uwv bij besluit van 9 april 2010 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 oktober 2009 ongegrond verklaard.
  9. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 9 april 2009 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, kort weergegeven, geoordeeld dat, onder verwijzing naar de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen, het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat het besluit op een voldoende medische grondslag berust. Tevens is nog gewezen op het rapport van 10 juni 2010 van de bezwaarverzekeringsarts in reactie op de gronden in beroep. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het feit dat in tegenstelling tot een vorige beoordeling in 2007, er, bij gelijkblijvende medische situatie, zoals thans aan de orde, wel voldoende functies geselecteerd kunnen worden, niet meebrengt dat sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Aan een beoordeling ligt niet alleen een medische beoordeling maar ook een nieuwe arbeidskundige beoordeling ten grondslag. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dan ook niet aangezien niet is gebleken van een ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van de zijde van het Uwv. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellante ongeschikt te achten.
  10. Namens appellante is in hoger beroep naar voren gebracht hetgeen zij reeds in beroep naar voren heeft gebracht. Appellante heeft haar stelling herhaald dat sprake is van strijd met het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel nu ten opzichte van de beoordeling in 2007 sprake is van een gelijkblijvende medische situatie maar dat, anders dan in 2007, thans geconcludeerd wordt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Zo het voorgaande niet leidt tot volledige arbeidsongeschiktheid heeft appellante aangevoerd dat haar beperkingen zijn onderschat. Gelet op haar dagverhaal waaruit slaapproblemen blijkt, had een (verdere) urenbeperking aangenomen moeten worden. Overdag doet zij alleen de hoogst noodzakelijk dingen omdat haar belastbaarheid zeer wisselend is. Appellante heeft nauwelijks hobby’s en weinig sociale contacten. Ten slotte heeft zij gronden ingebracht tegen de medische geschiktheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies omdat in die functies de belasting ten aanzien van het handelingstempo, concentreren van aandacht en het persoonlijk risico wordt overschreden.
  11. De Raad overweegt als volgt. 5.
  12. Wat betreft de grond ten aanzien van de mogelijke strijd met het rechtszekerheid- en het vertrouwensbeginsel, volstaat de Raad met verwijzing naar hetgeen de rechtbank daartoe heeft overwogen, zoals weergegeven in overweging 3 van deze uitspraak van de Raad. De Raad onderschrijft deze overwegingen volledig. 5.
  13. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad geen aanleiding gezien om daarover anders te oordelen dan de rechtbank. De Raad is, net als de rechtbank, van oordeel dat de beperkingen van appellante door middel van een zorgvuldig medisch onderzoek zijn vastgesteld. Tevens ziet de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat bezwaarverzekeringsarts Heeskens-Reijnen in haar rapport van 15 maart 2010 gemotiveerd heeft aangegeven dat, mede gelet op de informatie uit de curatieve sector, sprake is van een gestabiliseerd medisch toestandsbeeld. Er is volgens deze arts op basis van de gedingstukken geen sprake van een disfunctioneren dan wel een gebrek aan zelfredzaamheid. Het dagverhaal van appellante geeft ook geen aanleiding tot het aannemen van een urenbeperking. Er zijn geen cognitieve functiestoornissen vastgesteld die er toe leiden dat appellante beperkt is op concentreren, verdelen van aandacht of herinneren. Tot slot overweegt de Raad dat appellante in hoger beroep geen nadere medische informatie heeft overgelegd die een ander licht werpt op haar medische situatie op de datum in geding. 5.
  14. Tevens is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit op een voldoende arbeidskundige grondslag berust. Met het arbeidskundige rapport van 28 juli 2009 en het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 7 april 2010 heeft het Uwv genoegzaam toegelicht dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van productiemedewerker industrie (sbc-code 111172), inpakker (sbc-code 111190) en samensteller metaalwaren (sbc-code 264140) in medisch opzicht geschikt te achten zijn voor appellante. Ten aanzien van het persoonlijk risico in de functies, merkt de Raad op dat appellante beperkt is om op hoogte te werken. Daarvan is in de functies geen sprake. Een hoog handelingstempo komt in de functies niet voor. Voor wat betreft het concentreren, verdelen van aandacht en herinneren, is appellante blijkens de FML niet beperkt geacht. 5.
  15. Tot slot en geheel ten overvloede merkt de Raad nog op dat, voor zover appellante meent dat er na de datum in geding een verslechtering is opgetreden in haar gezondheidstoestand, het appellante vrij staat om zich tot het Uwv te wenden met een verzoek om te beoordelen of met ingang van een latere datum dan thans in geding, er recht bestaat op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. 5.
  16. Het hoger beroep treft, gelet op de overwegingen 5.1 tot en met 5.4, geen doel. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
  17. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari
  18. (get.) C.W.J. Schoor. (get.) G.J. van Gendt. CVG

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.