← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BV2043

11/2258 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om herziening van [Verzoeker], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: verzoeker), van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 februari 2011, 10/3026 in het geding tussen: verzoeker en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 27 januari 2012 I. PROCESVERLOOP Verzoeker heeft verzocht om herziening van de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december

  1. Verzoeker is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Koning. II. OVERWEGINGEN Ingevolge artikel 8:88 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. Bij de uitspraak waarvan thans herziening wordt verzocht heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 april 2010 (nummer 09/1073) bevestigd. De rechtbank verklaarde hierbij het beroep van verzoeker ongegrond. Het beroep betrof de weigering van het Uwv om hem – op zijn herhaalde aanvraag daartoe – een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. De Raad onderschreef in zijn uitspraak de overweging van de rechtbank dat nieuwe feiten of veranderde omstandigheden niet zijn gebleken. Daarom had het Uwv, naar het toenmalige oordeel van de Raad, in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om de aanvraag af te wijzen. Verzoeker heeft thans aangevoerd dat hij arbeidsongeschikt (invalide) is en dat hij een medische behandeling ondergaat. Verzoeker heeft de Raad verzocht om hem medisch te laten onderzoeken. Het Uwv heeft er in zijn verweerschrift op gewezen dat hetgeen door verzoeker is aangevoerd geen feiten of omstandigheden bevat in de zin van artikel 8:88 van de Awb. De Raad komt tot het volgende oordeel. Het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening kan ten aanzien van verzoeker alleen worden toegepast indien aangelegenheden van feitelijke aard zijn aangevoerd, die al hadden plaatsgevonden toen de uitspraak van 23 februari 2011 werd gedaan, maar die toen bij verzoeker niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn. Dit houdt in dat het moet gaan om relevante feiten of omstandigheden, in dit geval met betrekking tot de intrekking van verzoekers WAO-uitkering in 1986, die pas op of ná 23 februari 2011 bij hem bekend zijn geworden. Aan deze voorwaarden is in dit geval niet voldaan. Dit betekent dat reeds hierom het verzoek moet worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Wijst het verzoek af. Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari
  2. (get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen. (get.) J.R. Baas. JL

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.