← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BV2341

10/5247 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 augustus 2010, 08/3814 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College) Datum uitspraak: 31 januari 2012 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. H.M. Mauritz, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december

  1. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Mauritz. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van Beveren, werkzaam bij de gemeente Utrecht. II. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellante heeft op 2 juni 2008 bijzondere bijstand aangevraagd voor onder andere de kosten van tandheelkundige behandelingen, begroot op een totaal bedrag van € 5.574,
  4. Ter onderbouwing van de noodzaak voor het plaatsen van een negendelige brug heeft appellante een verklaring overgelegd van haar tandarts V. Jansen van Tandartspraktijk Jaffapark van 29 juni
  5. Deze heeft verklaard dat appellante geen partiële kunsthars prothese verdraagt, dat appellante bij het inzetten van die partiële prothese braakneigingen niet kan onderdrukken, dat appellante bijgevolg zonder de prothese rondloopt en dat zij daardoor slecht kan eten en grote gevoelens van schaamte ondervindt. Bij besluit van 26 augustus 2008 heeft het College op deze aanvraag afwijzend beslist. 1.
  6. Bij besluit van 21 november 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 26 augustus 2008 ongegrond verklaard. Daarbij is, voor zover van belang, overwogen dat de medische noodzaak voor het plaatsen van een negendelige brug in plaats van een partiële of gehele prothese niet voldoende is aangetoond en geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan aan appellante bijzondere bijstand voor de gevraagde kosten verleend zou moeten worden.
  7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 21 november 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat het College in geval van appellante in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om op grond van de hardheidsclausule van artikel 46 van de Richtlijnen Bijzondere Bijstand Utrecht (hierna: RBBU) bijstand te verlenen voor de gevraagde kosten.
  8. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante stelt zich op het standpunt dat zij op grond van de onder 2 genoemde hardheidsclausule voor een vergoeding van de onderhavige tandheelkundige behandeling in aanmerking dient te komen. Ter verdere onderbouwing van dit standpunt heeft appellante een verklaring van tandarts S. Kovacev van Tandartsenpraktijk Vleuten van 9 december 2011 overgelegd. Deze verklaart dat appellante vastzittende mondverzorging wenst en dat dit noodzakelijk is, omdat appellante kokhalst bij het plaatsen van een plaatje, dat de huidige elementen onstabiel zijn en dat appellante ook problemen met het kauwen heeft, waardoor zij haar eten niet goed binnenkrijgt met maagproblemen tot gevolg.
  9. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  10. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het College een juiste toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule zoals neergelegd in artikel 46, eerste lid, van de RBBU waarin de mogelijkheid is opgenomen om aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, bijstand te verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. 4.
  11. In de gedingstukken en in hetgeen appellante heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat in haar geval sprake is van zeer dringende redenen in de zin van artikel 46, eerste lid, van de RBBU, die zouden nopen tot bijstandsverlening. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de medische noodzaak voor het plaatsen van een negendelige brug niet aannemelijk is geworden met de voorhanden medische verklaringen van de beide tandartsen. 4.
  12. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
  13. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari
  14. (get.) J.F. Bandringa. (get.) M.C. Nijholt. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.