← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BV2487

10/4715 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 juli 2010, 10/381 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College) Datum uitspraak: 31 januari 2012 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december

  1. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoentewarie, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. II. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Bij besluit van 28 september 2009 heeft het College aan appellant met ingang van 19 augustus 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend naar de norm voor een alleen-staande met een toeslag van 20%. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit voor zover daarbij geen bijstand is toegekend over een periode voorafgaande aan 19 augustus
  4. Bij besluit van 21 december 2009 heeft het College dit bezwaar ongegrond verklaard.
  5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 21 december 2009 ongegrond verklaard.
  6. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant voert aan dat hij in grote financiële problemen is gekomen doordat het College gedurende drie maanden en elf dagen zijn uitkering heeft stopgezet en dat hij daardoor tevens zijn plannen moeilijk kan verwezenlijken.
  7. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  8. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 23 augustus 2011, LJN BR6612) inzake de toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding bij de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) heeft plaatsgevonden. Van dit uitgangspunt kan slechts worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. 4.
  9. Niet is in geschil dat appellant zich op 19 augustus 2009 heeft gemeld voor het aanvragen van bijstand en dat de vraag voorligt of sprake is van bijzondere omstandigheden om bijstand te verlenen over een periode voorafgaande aan die datum. 4.
  10. De Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (hierna: DWI) heeft per brief van 24 juni 2009 appellant bericht dat de stageovereenkomst met appellant met ingang van 11 mei 2009 is beëindigd. Hoewel het appellant na ontvangst van de brief van 24 juni 2009 duidelijk had kunnen zijn dat de uitbetaling van de stagevergoeding was gestaakt, heeft hij zich toen niet tot het College gewend om bijstand aan te vragen. Evenmin heeft het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van 18 juni 2009, waarbij aan appellant alsnog over de periode van 2 oktober 2008 tot en met 4 januari 2009 uitkering ingevolge de Werkloosheidswet is toegekend, ertoe geleid dat appellant bijstand heeft aangevraagd. Eerst op 7 augustus 2009 heeft hij zich gemeld voor het aanvragen van bijstand, maar tijdens het afgesproken intakegesprek op 17 augustus 2009 is hij niet verschenen. Tijdens de hoorzitting heeft appellant verklaard dat hij deze afspraak niet is nagekomen in verband met problemen met zijn woning en dat hij deze afspraak niet heeft afgezegd, omdat hij geen geld had om te bellen. Per brief van 19 augustus 2009 heeft de DWI appellant bericht dat geen bijstandsaanvraag tot stand is gekomen omdat hij zonder bericht op 17 augustus 2009 niet is verschenen. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant geen steekhoudende argumenten aangevoerd waarom hij niet eerder dan in augustus 2009 stappen heeft ondernomen om bijstand aan te vragen en evenmin waarom hij niet is verschenen op 17 augustus
  11. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen bijzondere omstandigheden die het College ertoe hadden moeten brengen om de bijstand met ingang van een eerdere datum dan 19 augustus 2009 toe te kennen. 4.
  12. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. Derhalve komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
  13. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari
  14. (get.) J.F. Bandringa. (get.) M.C. Nijholt. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.