10/4740 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 juli 2010, 09/4383 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College) Datum uitspraak: 31 januari 2012 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december
- Appellant is - zoals bericht - niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Din?, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. II. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant ontvangt bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Op appellant en zijn echtgenote rusten de arbeidsverplichtingen. Appellant en zijn echtgenote zijn op 24 juli 2009 naar Turkije vertrokken om hun meerderjarige zoon bij te staan. Deze was in Turkije betrokken geraakt bij een auto-ongeluk, waarbij de persoon die hij heeft aangereden later overleden is. In verband met dit ongeluk is de zoon in hechtenis genomen en tot 9 september 2009 gedetineerd geweest. Het College heeft als datum van terugkeer van appellant en echtgenote 13 september 2009 aangenomen. Bij besluit van 16 september 2009 heeft het College bepaald dat appellant en zijn echtgenote over de periode van 21 augustus 2009 tot en met 13 september 2009 geen recht op bijstand hebben op de grond dat zij een aaneengesloten periode van langer dan vier weken buiten Nederland verblijf hebben gehouden. 1.
- Bij besluit van 23 november 2009 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 september 2009 ongegrond verklaard onder aanvulling van de motivering in die zin, dat het College geen aanleiding heeft gezien om met toepassing van artikel 16, eerste lid, van de WWB bijstand te verlenen over de periode van 21 augustus 2009 tot en met 13 september 2009, omdat niet gebleken is dat zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 23 november 2009 ongegrond verklaard.
- Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat de acute noodzaak voor het verblijf van hem en zijn echtgenote er in gelegen was dat zijn zoon in Turkije hun steun nodig had, omdat hij de Turkse taal niet of nauwelijks beheerst en werd bedreigd door de familieleden van het slachtoffer. Als appellant en zijn vrouw niet naar Turkije zouden zijn afgereisd, dan zou hun gezondheid daar ernstig onder hebben geleden.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Tussen partijen is niet in geschil dat appellant op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB van 21 augustus 2009 tot en met 13 september 2009 geen recht had op bijstand. In geschil is uitsluitend of sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB op grond waarvan appellant over deze periode toch bijstand had moeten worden verleend. Daarvoor dient vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. De Raad heeft al eerder overwogen (zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 1 december 2009, LJN BK6576) dat een acute noodsituatie aan de orde is indien een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. 4.
- De Raad is van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich ten tijde hier van belang zeer dringende redenen in de zin van artikel 16, eerste lid, van de WWB hebben voorgedaan. Vast staat dat de (acute) noodzaak van het verblijf van appellant en zijn echtgenote in Turkije niet te maken had met omstandigheden die henzelf betroffen. Voorts is de Raad op grond van de gedingstukken niet gebleken dat een langer verblijf dan de toegestane periode van vier weken voor appellant en zijn echtgenote in Turkije dringend noodzakelijk was, in die zin dat zij anders in ernstige psychische problemen zouden zijn geraakt. 4.
- De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.
- De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari
- (get.) J.F. Bandringa. (get.) M.C. Nijholt. HD