11/1446 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 januari 2011, 10/3085 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 1 februari 2012 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. K.M. van der Zouwen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 21 december 2011, waar partijen niet zijn verschenen. II. OVERWEGINGEN 1.
- Bij besluit van 12 november 2009 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 11 december 2009 in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat hij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. 1.
- Bij besluit van 16 juni 2010 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 12 november 2009 ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 juni 2010 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek naar de beperkingen van appellant op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Op grond van de beschikbare gegevens moet worden aangenomen dat de verzekeringsartsen niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Appellant heeft zijn standpunt dat hij in lichamelijk en psychisch opzicht meer is beperkt en daardoor volledig arbeidsongeschikt is niet met medische gegevens onderbouwd. De rechtbank is er voorts voldoende van overtuigd dat de belastbaarheid van appellant in de aan de schatting ten grondslag liggende functies niet wordt overschreden. Hieruit volgt, naar het oordeel van de rechtbank, dat het Uwv terecht geweigerd heeft appellant in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet WIA.
- De Raad oordeelt als volgt.
- Appellant is in hoger beroep onveranderd van mening dat hem ten onrechte een WIA-uitkering is geweigerd. Hij heeft hiervoor gronden aangevoerd die ook al in beroep zijn aangevoerd en door de rechtbank zijn besproken. In hoger beroep zijn die gronden herhaald waarbij appellant niet heeft aangegeven waarom naar zijn opvatting het oordeel van de rechtbank onjuist is. Evenmin zijn er nieuwe (medische) gegevens in geding gebracht. De Raad is van oordeel dat de rechtbank die gronden op juiste wijze heeft besproken en op juiste wijze heeft gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank.
- Uit hetgeen onder 4 is overwogen volgt dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 februari
- (get.) J. Brand. (get.) L. van Eijndthoven. KR