← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BV5591

11/6273 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 5 oktober 2011, 11/4892 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Datum uitspraak: 16 februari 2012 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Witte. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooij-Bal. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Bij besluit van 24 december 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan omdat hij met ingang van 17 januari 2011 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 25 mei 2011 ongegrond verklaard. 1.
  3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 25 mei 2011 ongegrond verklaard. Zij heeft hiertoe overwogen dat de verzekeringsartsen de beperkingen van appellant op zorgvuldige wijze in kaart hebben gebracht op basis van de voorhanden medische gegevens en dat er geen aanleiding is tot twijfel aan de juistheid van de, door de bezwaarverzekeringsarts enigszins bijgestelde, Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 maart
  4. De rechtbank heeft voorts het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat geen van de in de Standaard verminderde arbeidsduur genoemde situaties aan de orde is, onderschreven. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat afdoende is toegelicht dat de voorgehouden functies geschikt zijn te achten voor appellant.
  5. Appellant heeft in hoger beroep de gronden van het beroep in eerste aanleg herhaald door aan te voeren dat zijn beperkingen tengevolge van de klachten aan de linkerarm en linkerliesstreek zijn onderschat en dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen in verband met energieverlies. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij informatie ingezonden van zijn behandelende uroloog dr. H. Roshani, gedateerd 3 januari
  6. Voorts heeft hij nogmaals gewezen op de ongeschiktheid van de voorgehouden functies wegens het daarin voorkomende hoge handelingstempo. 3.
  7. De Raad is met de rechtbank en op dezelfde gronden van oordeel dat er geen aanleiding is tot twijfel aan de medische beoordeling van de bezwaarverzekeringsarts ten aanzien van de datum in geding, 17 januari 2011, zoals neergelegd in de FML van 11 maart
  8. De Raad verwijst dan ook naar de overwegingen van de rechtbank terzake en maakt deze tot de zijne. Uit de in hoger beroep ingezonden brief van de behandelende uroloog dr. Roshani maakt de Raad op dat uit een op 3 januari 2012 gemaakte echo van het scrotum blijkt dat er geen afwijkingen zijn gevonden die de pijnklachten van appellant kunnen verklaren. Deze informatie doet naar het oordeel van de Raad aan het voorgaande niet af. De Raad ziet dan ook geen aanleiding tot benoeming van een deskundige, nu appellant geen van een medische onderbouwing voorziene gronden heeft aangevoerd die twijfel oproepen ten aanzien van de medische beoordeling ten aanzien van de datum in geding. Van eventuele wijzigingen in zijn gezondheidssituatie, bijvoorbeeld in verband met de aangekondigde darmoperatie en het aangekondigde onderzoek van de neuroloog, kan appellant melding maken bij het Uwv. 3.
  9. Ten aanzien van de voorgehouden functies van medewerker tuinbouw (SBC-code 111010), inpakker (SBC-code 111190) en snackbereider (SBC-code 111071) is de Raad met de rechtbank, en onder dezelfde overwegingen van oordeel dat door de bezwaararbeidsdeskundige afdoende is toegelicht dat deze functies geschikt zijn voor appellant. 3.
  10. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. 3.
  11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 februari
  12. (get.) J.P.M. Zeijen. (get.) H.L. Schoor. KR

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.