← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BV6604

11/1127 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 6 januari 2011, 10/867 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Datum uitspraak: 22 februari 2012 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. F.J.G. Tilman, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari

  1. Voor appellant is verschenen mr. Tilman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellant is met ingang van 3 april 1985 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij besluit van 31 maart 2000 heeft het Uwv deze uitkering met ingang van 1 juni 2000 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. 1.
  3. Bij besluit van 9 april 2004 heeft het Uwv de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellant per 1 mei 2004 geschorst in afwachting van een onderzoek naar de mate van zijn arbeidsongeschiktheid in verband met verdiensten uit arbeid. Bij besluit van 16 september 2004 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat gelet op het onderzoek van 7 september 2009 de mate van zijn arbeidsgeschiktheid ongewijzigd dient te worden vastgesteld en er geen redenen zijn de uitkering te wijzigen. 1.
  4. Appellant heeft zich bij brief van 16 september 2009 met ingang van 13 juli 2009 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld wegens een operatie aan de linkerheup. 1.
  5. Bij besluit van 14 december 2009 heeft het Uwv geweigerd de WAO-uitkering van appellant, vier weken na de toegenomen arbeidsongeschiktheid, te herzien omdat appellant niet voldoet aan het bepaalde in artikel 39a, eerste lid, van de WAO, dat het moment waarop de toeneming van de arbeidsongeschiktheid begint gelegen moet zijn binnen vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de WAO-uitkering. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 1 februari 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
  6. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellant per 1 juni 2000 voor het laatst is herzien. Bij besluit van 16 september 2004 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid niet wordt gewijzigd. Volgens de rechtbank kan een weigering tot herziening, gelet op de aard van de in artikel 39a, eerste lid, van de WAO vervatte regeling, niet gelden als een herziening als bedoeld in dat artikellid.
  7. In hoger beroep voert appellant aan dat de WAO-uitkering per 1 mei 2004 is geschorst naar aanleiding van een onderzoek naar de mate van zijn arbeidsongeschiktheid. Vervolgens is hem bij brief van 16 september 2004 meegedeeld dat de arbeidsongeschiktheid wederom werd vastgesteld. In het verlengde daarvan werd besloten dat hij, gelijk voorheen, weer een WAO-uitkering van 35 tot 45% zou gaan ontvangen. Een dergelijke nieuwe vaststelling, zeker na schorsing van de uitkering, is een toekenning van een WAO-uitkering als bedoeld in artikel 39a van de WAO. De toename van arbeidsongeschiktheid per 13 juli 2009 valt daarom binnen vijf jaar na de datum van toekenning.
  8. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak. 4.
  9. Een recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt initieel toegekend op grond van artikel 19 van de WAO. De betaling van deze uitkering kan het Uwv op grond van artikel 50, derde lid, opschorten of schorsen. Artikel 39a, eerste lid, bepaalt ten slotte dat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering - onder voorwaarden - kan worden herzien als een toeneming van arbeidsongeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na toekenning of herziening van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering. 4.
  10. De Raad stelt vast dat bij het besluit van 9 april 2004 het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering niet is herzien, maar dat de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering is geschorst. Die uitkering is niet ingetrokken tijdens het onderzoek naar de mate van arbeidsongeschiktheid in verband met verdiensten uit arbeid, zoals ook ter zitting door de gemachtigde van het Uwv is bevestigd Dit onderzoek heeft geleid - zoals appellant is meegedeeld bij het besluit van 16 september 2004 - tot de vaststelling dat er ongewijzigd recht is op arbeidsongeschiktheidsuitkering, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Van een nieuwe toekenning van een recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering is dan ook geen sprake. Nu het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering voor het laatst - zo stelt de Raad voorts vast - bij het onder 1.1 genoemde besluit van 31 maart 2000 per 1 juni 2000 is herzien, is de termijn van vijf jaar om tot herziening te kunnen overgaan als bedoeld in artikel 39a, eerste lid, van de WAO daarom op 31 mei 2005 verstreken. Het onder 3 weergegeven betoog van appellant treft dus geen doel. 4.
  11. Hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  12. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 februari
  13. (get.) T. Hoogenboom. (get.) Z. Karekezi. JL

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.