← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BV6617

10/2950 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 15 april 2010, 09/1182 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en [naam B.V.] (voorheen: [naam stichting]), gevestigd te [vestigingsplaats] (betrokkene). Datum uitspraak: 22 februari 2012 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. M.H. Godthelp, advocaat te Velsen-Zuid, een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november

  1. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.M.C. Beijen. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Godthelp. Tevens is voor betrokkene verschenen [V.]. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Bij besluit van 10 juli 2008 heeft appellant het tijdvak waarin [naam werkneemster] (de werkneemster) jegens betrokkene als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte verlengd met 52 weken. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de wachttijd van 104 weken, en op de grond dat de re-integratie-inspanningen van betrokkene onvoldoende zijn geweest. Voor dit verzuim ontbreekt volgens het Uwv een deugdelijke grond. Het Uwv heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65 van de Wet WIA. 1.
  3. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 23 januari 2009 (bestreden besluit) heeft appellant dit bezwaar ongegrond verklaard.
  4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 10 juli 2008 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 18 november 2009 (LJN BK3713) geoordeeld dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie is gelegen bij de werkgever en dat betrokkene deze verantwoordelijkheid heeft genomen door een multidisciplinair re-integratie interventie traject te bekostigen bij het Jan van Bremen instituut. Naar het oordeel van de rechtbank heeft betrokkene er in redelijkheid toe kunnen komen om na de rapportage van 12 maart 2008 van het Centrum voor Arbeid en Gezondheid Amsterdam (CAGA), waarin vastgesteld werd dat de werkneemster geen arbeidsmogelijkheden had, de reintegratieactiviteiten te beëindigen. Op dat moment beschikte betrokkene over een oordeel van haar eigen deskundige, de bedrijfsarts, dat de werkneemster geen duurzaam benutbare mogelijkheden had, hetgeen werd onderschreven door de onderzoeksresultaten en adviezen van de zijde van het Jan van Bremen Instituut en de rapportage van re-integratiebureau CAGA, terwijl dit tevens werd bevestigd door de dagelijkse praktijk te weten dat de werkneemster niet langer dan twee keer twee uur per week in aangepast werk kon functioneren. De rechtbank was voorts van oordeel dat het achterwege laten van het aanvragen van een deskundigenoordeel bij appellant, gelet op de informatie die betrokkene had ontvangen van de eerder bedoelde deskundigen, alsmede gelet op de ervaringen die betrokkene zelf had bij het re-integreren van de werkneemster, niet kan leiden tot de conclusie dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. 3.
  5. In hoger beroep is door appellant onder verwijzing naar een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 15 juni 2010 aangevoerd dat door betrokkene op onjuiste gronden en te vroeg is geconcludeerd dat werkneemster in het geheel niet re-integreerbaar was. Appellant stelt voorts dat de gevolgen van foute dan wel inadequate adviezen van door betrokkene ingeschakelde deskundigen voor haar rekening dienen te komen. 3.
  6. Betrokkene is van mening dat zij wel aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan nu de door haar ingeschakelde deskundigen van mening zijn dat verdere re-integratie niet tot de mogelijkheden behoorde en heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
  7. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt als volgt. 4.
  8. In geschil is of appellant terecht de loondoorbetalingsverplichting van betrokkene jegens werkneemster met 52 weken heeft verlengd. Het geschil heeft zich daarbij toegespitst op de vraag of appellant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door betrokkene als bedoeld in artikelen 25, negende lid, van de Wet WIA, omdat betrokkene na het beëindigen van het door haar bekostigde re-integratietraject bij CAGA is gestopt met verdere re-integratieactiviteiten. 4.
  9. Op basis van de beschikbare gegevens kan onder meer vastgesteld worden dat de werkneemster na haar uitval op 5 september 2006 - wegens naar later bleek fibromyalgie - vanaf 25 mei 2007 op arbeidstherapeutische basis werkzaam is geweest voor twee keer twee uur per week. Herstel bleef uit en in verband met de lange reistijd is de werkneemster hiermee gestopt omstreeks oktober
  10. De werkneemster is toen gestart met een door de werkgever bekostigd arbeidsrevalidatietraject bij CAGA gericht in eerste instantie op verbetering van de belastbaarheid van de werkneemster en vervolgens op reïntegratie in het tweede spoor. Dit traject is vervolgens blijkens de eindevaluatie van CAGA van 12 maart 2008 in maart 2008 afgesloten omdat er te weinig vorderingen waren en geen zicht op verbetering en er daardoor geen zicht was op werk voor de korte en lange termijn. De bedrijfsarts heeft naar aanleiding van deze rapportage en op basis van een anamnese in het actueel oordeel van 29 april 2008 aangegeven dat de werkneemster niet werkt, in de toekomst wel kan werken, maar dat haar mogelijkheden op dit moment zeer beperkt zijn. Er blijven pijn- en vermoeidheidsklachten waardoor ze op dit moment fysiek niet in staat is eigen of andere arbeid te verrichten. 4.
  11. De Raad kan evenals appellant - en anders dan de rechtbank - uit de aanwezige dossiergegevens niet herleiden dat de bedrijfsarts heeft uitgesproken dat er sprake was van een situatie waarin geen benutbare mogelijkheden aanwezig waren. In het actueel oordeel van 29 april 2008 is slechts een anamnese opgenomen; een volledig medisch onderzoek waaruit afgeleid zou kunnen worden dat de werkneemster geen benutbare mogelijkheden had, heeft niet plaatsgevonden. Daarnaast heeft de verzekeringsarts op basis van de bij de werkneemster bestaande fibromyalgieklachten de functionele mogelijkheden voor de werkneemster vastgesteld volgens welke de werkneemster geschikt geacht moet worden voor lichte werkzaamheden zonder urenbeperking. Gelet hierop was er voor het beëindigen van de re-integratie-inspanningen dan ook geen reden. Dat appellante in de - overigens nauwelijks gemotiveerde - rapportage van 12 maart 2008 van CAGA tot beëindiging van de re-integratieactiviteiten aanleiding heeft gezien de re-integratieactiviteiten stop te zetten leidt de Raad niet tot een ander oordeel gelet op de eigen verantwoordelijkheid van de werkgever in dezen, op grond waarvan de gevolgen van foute dan wel inadequate adviezen van door betrokkene ingeschakelde deskundigen voor zijn rekening dienen te komen. De Raad wijst er daarbij op dat uit de bij de rapportage van CAGA behorende Quickscan valt af te leiden dat pijngedrag aanwezig was en dat dit de resultaten van het onderzoek heeft beïnvloed en dat er sprake was van deconditionering. In dit licht bezien was mede gelet op het snelle staken van het traject een kritische en actieve houding van de werkgever aangewezen geweest. De Raad deelt tot slot het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 15 juni 2010 dat het mislukken van een werkhervatting niet als bewijs kan dienen voor een onvermogen tot werken op medische gronden.
  12. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat de Raad van oordeel is dat appellant op basis van de beschikbare gegevens terecht heeft geconcludeerd dat betrokkene als werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat het besluit tot oplegging van de loonsanctie in rechte stand kan houden. Dat leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het inleidend beroep tegen het besluit van 23 januari 2009 ongegrond dient te worden verklaard. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep tegen het besluit van 23 januari 2009 ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 februari
  13. (get.) Ch. van Voorst. (get.) N.S.A. El Hana. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.