09/5657 MAW 10/1298 MAW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats], (appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 september 2009, 09/1497 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Staatssecretaris van Defensie, thans de Minister van Defensie (minister) Datum uitspraak: 23 februari 2012 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Staatssecretaris van Defensie heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari
- Namens appellant is verschenen mr. P. Reitsma, advocaat. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C.H. Pot en mr. M. Antzoulates. II. OVERWEGINGEN
- Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Defensie, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie.
- Appellant was sinds 9 december 2002 als kanonnier der derde klasse aangesteld bij de Koninklijke landmacht en geplaatst bij het Schoolbataljon Noord. Bij besluit van 27 februari 2003 is hij, met toepassing van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR), per 1 april 2003 ontslagen. Bij uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 december 2006 (LJN AZ5230) is - voor zover hier van belang - dit besluit van 27 februari 2003 vernietigd. 2.
- Op 8 januari 2008 heeft appellant de minister verzocht om vergoeding van de door hem geleden schade ten gevolge van het hem onrechtmatig verleende ontslag. 2.
- Bij besluit van 20 augustus 2008 heeft de minister aan appellant ingevolge artikel 115 van het AMAR - voor zover hier van belang - een bruto schadevergoeding toegekend voor de gederfde bezoldiging over de periode van 1 april 2003 tot 9 juni 2007, waarbij de minister er op gewezen heeft dat op de gederfde bezoldiging in mindering wordt gebracht het door appellant in deze periode maandelijks verdiende bedrag bij zijn nieuwe werkgever. 2.
- Bij besluit van 10 februari 2009 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 augustus 2008 - voor zover hier van belang - gegrond verklaard wat betreft het niet vergoeden van de wettelijke rente over de schadevergoeding en ongegrond verklaard wat betreft de verrekening van de door appellant verdiende inkomsten bij zijn nieuwe werkgever op de aan hem uitbetaalde schadevergoeding.
- De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, voor zover het betreft de motivering van de berekening van de wettelijke rente en het bestreden besluit in zoverre vernietigd. Het beroep is - met de opmerking dat de nabetaling van bezoldiging geen schadevergoeding is, maar voortvloeit uit de uitspraak van 21 december 2006 - voor het overige ongegrond verklaard.
- Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende. 4.
- Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 5 juni 2008, LJN BD5395) mag de minister op de nabetaling van de bezoldiging een door appellant in de betreffende periode genoten loon in mindering brengen. In hetgeen namens appellant is aangevoerd, vindt de Raad geen aanleiding terug te komen op zijn vaste rechtspraak. De beroepsgrond van appellant slaagt dan ook niet. 4.
- Met betrekking tot het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak door de minister genomen besluit van 22 maart 2010, zoals nader aangevuld bij ongedateerd schrijven met nummer 9992760, overweegt de Raad dat dit besluit - naar ter zitting is verklaard - geheel aan het bezwaar van 18 september 2008 tegemoet komt. De Raad stelt vast dat het geding in hoger beroep zich daarom niet op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede uitstrekt tot dit besluit. 4.
- Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari
- (get.) K. Zeilemaker. (get.) M.C. Nijholt. HD