← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7428

09/5504 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (appellant), tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 2 september 2009, 09/3410 en 09/2982 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) Datum uitspraak: 28 februari 2012 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. R.J.A. Verhoeven, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Verhoeven. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Jung. II. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde omstandigheden. 1.
  3. Appellant heeft op 15 januari 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd. Hij staat vanaf 5 maart 2008 ingeschreven op het adres [adres] te Amstelveen. Op dit adres staat tevens ingeschreven [A.] (de hoofdbewoner). 1.
  4. Naar aanleiding van het vermoeden dat appellant niet verbleef op voormeld door hem opgegeven adres, heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dit kader is appellant op 23 maart 2009 gehoord en heeft aansluitend een huisbezoek op voormeld adres plaatsgevonden. Van de bevindingen van dit onderzoek zijn op 26 maart 2009 en 27 maart 2009 rapporten opgemaakt. 1.
  5. Bij besluit van 31 maart 2009 heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen. 1.
  6. Bij besluit van 10 juni 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 31 maart 2009 ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting niet dan wel niet behoorlijk is nagekomen, dat appellant hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het door hem opgegeven adres en dat hierdoor niet kan worden vastgesteld of appellant recht heeft op bijstand.
  7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter het beroep tegen het besluit van 10 juni 2009 ongegrond verklaard. Hierbij is, onder verwijzing naar de in 1.2 genoemde rapporten, overwogen dat de tijdens het huisbezoek aangetroffen situatie van de boeken, de toiletspullen en de administratie, voldoende grond vormt voor de conclusie van het college dat appellant zijn hoofdverblijf niet heeft op het opgegeven adres. De steeds wisselende verklaringen die appellant vervolgens heeft afgelegd over de boeken, de toiletspullen en de administratie, bevorderen de geloofwaardigheid van het standpunt van appellant niet. Uit de door appellant overgelegde verklaringen van de hoofdbewoner en de tandarts en de op het opgegeven adres afgesloten inboedelverzekering, valt niet af te leiden dat appellant zijn hoofdverblijf heeft gehad op het opgegeven adres. Het totaal van omstandigheden maakt dat het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht tot de conclusie is gekomen dat appellant zijn hoofdverblijf niet heeft op het opgegeven adres.
  8. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij bestrijdt dat hij zijn hoofdverblijf niet heeft gehad op het door hem opgegeven adres. Hij ontkent dat hij wisselende verklaringen heeft afgelegd over de boeken, de administratie en de toiletspullen en dat verwarring en misverstanden zijn ontstaan door zijn matige beheersing van de Nederlandse taal en zijn lage opleidingsniveau. Voorts heeft appellant aangevoerd dat zijn beroep op de verklaringen van de hoofdbewoner, de tandartsverklaring en de inboedelverzekering ongemotiveerd is verworpen. Hierbij heeft appellant er op gewezen dat de hoofdbewoner zowel schriftelijk als ter zitting heeft verklaard dat appellant op het opgegeven adres heeft gewoond.
  9. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  10. In het onderhavige geval loopt de beoordelingsperiode van 15 januari 2009 tot en met 31 maart
  11. 4.
  12. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Voor een correcte toepassing van de WWB is het van essentieel belang dat er duidelijkheid bestaat omtrent de woon- en verblijfplaats van de belanghebbende. Indien het gaat om een aanvraag ligt het op de weg van de aanvrager hierover de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandsverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Als de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Verwezen wordt naar de uitspraken van 8 juni 2010, LJN BM8060 en 13 juli 2010, LJN BN
  13. 4.
  14. De Raad onderschrijft het oordeel van de voorzieningenrechter en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen en voegt hieraan het volgende toe. De omstandigheid dat appellant tijdens de intake geen huurovereenkomst kon overleggen en dat hij daarna een huurovereenkomst heeft overgelegd die is gedateerd op 1 maart 2008, versterkt de reeds door de overige omstandigheden ontstane twijfel over het feitelijk woonadres van appellant. Hierbij komt dat geen bewijzen van huurbetaling zijn overgelegd. Voorts is uit de door appellant overgelegde bankafschriften gebleken dat hij in de drie aan de aanvraag voorafgaande maanden slechts eenmaal in Amstelveen en verder hoofdzakelijk in Amsterdam en soms in Hilversum heeft gepind. In het licht van de in dit geval op appellant rustende bewijslast is de polis van de inboedelverzekering alleen onvoldoende om de door de overige omstandigheden ontstane twijfel over het feitelijk woonadres van appellant weg te kunnen nemen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat door zijn matige beheersing van de Nederlandse taal en zijn lage opleidingsniveau verwarring en misverstanden zijn ontstaan bij het op schrift stellen van zijn diverse verklaringen. Voorts heeft de voorzieningenrechter het beroep van appellant op de verklaringen van de hoofdbewoner, de tandartsverklaring en de polis van de inboedelverzekering - anders dan appellant betoogt - wel degelijk gemotiveerd verworpen, nu de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat uit deze stukken niet af te leiden valt dat appellant zijn hoofdverblijf heeft gehad op het opgegeven adres. Verder kan aan de verklaringen van de hoofdbewoner niet het gewicht worden gehecht dat appellant daaraan gehecht wenst te zien. Deze verklaringen zijn niet eensluidend over de ingangsdatum van de huurovereenkomst en bevatten daarnaast onvoldoende concrete feiten om de stelling dat appellant op het opgegeven adres heeft gewoond te kunnen rechtvaardigen. 4.
  15. Uit hetgeen onder 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  16. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en A.B.J. van der Ham en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari
  17. (get.) E.J.M. Heijs. (get.) M.C. Nijholt. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.