11/6138 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer P R O C E S – V E R B A A L van mondelinge uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 september 2011, 10/1570 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college) Datum uitspraak: 15 februari 2012 Zitting heeft: O.L.H.W.I. Korte als voorzitter van de enkelvoudige kamer Griffier: J. de Jong Ter zitting zijn verschenen: mr. S.M.J. Dohmen, advocaat van appellant; mr. A.F. Dekker, vertegenwoordiger van het college. Appellant is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Het college heeft de bijstand van appellant met ingang van 1 november 2009 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 november 2009 tot 1 januari 2010 teruggevorderd op de grond dat appellant op 1 november 2009 is gestart met een hennepkwekerij in de garage bij zijn woning. De rechtbank heeft het beroep daartegen ongegrond verklaard. Bij een belastend besluit als hier aan de orde dient het college aannemelijk te maken dat appellant zich vanaf 1 november 2009 met hennepteelt heeft bezig gehouden en dus vanaf die datum de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellant betoogt dat het college hierin niet is geslaagd. Uit de processen-verbaal van 9 februari 2010 en 19 februari 2010, opgemaakt door de regiopolitie Limburg Zuid, blijkt dat op 9 februari 2010 128 hennepplanten van ongeveer 15 centimeter hoog en ongeveer twee weken oud in de garage van appellant zijn aangetroffen. Niet in geschil is dat de aangetroffen apparatuur eerder is gebruikt. Volgens de politie is aannemelijk dat er ter plekke een eerdere oogst is geweest. De politie heeft namelijk stof aangetroffen op de lampenkappen en verkleuring van de hoes van het aanwezige stoffilter en kalkafzetting op de potten vastgesteld. Op een in de kweekruimte gevonden schaar waren resten van werkzame bestanddelen van volgroeide hennepplanten aanwezig. Bovendien heeft appellant tegenstrijdige verklaringen afgelegd omtrent de herkomst van de apparatuur. Het college heeft hiermee aannemelijk gemaakt dat ten tijde van de ontmanteling van de hennepkwekerij op 9 februari 2010 ter plaatse een eerdere hennepoogst was geweest. Het college heeft niet onzorgvuldig gehandeld door, rekening houdende met een zekere voorbereidingstijd en een al vaker aanvaarde groeicyclus van hennepplanten van 10 weken, de aanvangsdatum van de hennepkwekerij vast te stellen op 1 november 2009. Appellant stelt dat hij geen eerdere oogst heeft gehad, dat hij pas begin januari 2010 is begonnen met de voorbereidingen van de hennepkwekerij en dat hij de apparatuur tweedehands via Marktplaats heeft aangeschaft. Hij heeft dit echter in het geheel niet met bewijsstukken onderbouwd. Hiermee heeft appellant met betrekking tot het kunnen leveren van tegenbewijs omtrent de start van de hennepkwekerij een bewijsrisico genomen waarvan de gevolgen geheel voor zijn rekening en risico dient te blijven. In dit kader komt tevens betekenis toe aan het feit dat appellant, hoewel daartoe opgeroepen, niet ter zitting is verschenen voor het geven van toelichting en beantwoording van vragen omtrent de aanvangsdatum van de hennepkwekerij. Het hoger beroep slaagt daarom niet. Zoals ter zitting is besproken kan appellant zich tot het college wenden met het verzoek een betalingsregeling te treffen ter aflossing van de ontstane schuld. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. Utrecht, 15 februari 2010 De griffier, De voorzitter, J. de Jong. O.L.H.W.I. Korte. Voor eensluidend afschrift de griffier van de Centrale Raad van Beroep. HD
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.