← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8194

11/2912 WAO-V Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 april 2011, 10/2795 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) Datum uitspraak: 27 februari 2012 I. PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 12 augustus 2011 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Tegen de uitspraak van de Raad van 12 augustus 2011 heeft appellant verzet gedaan. Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 16 januari 2012, waar partijen - het Uwv met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen. II. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad van 12 augustus 2011 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 20 juni 2011 gestelde termijn van vier weken is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Vaststaat dat het griffierecht op 23 augustus 2011, en daarmee buiten de gestelde termijn, is betaald. In het verzetschrift heeft appellant verklaard dat hij wegens ziekte het verschuldigde griffierecht te laat heeft betaald. Appellant heeft daarbij verwezen naar een aantal stukken, die de Raad echter niet bij het verzetschrift heeft aangetroffen. Bij brief van 9 september 2011 heeft de Raad appellant in de gelegenheid gesteld deze stukken alsnog toe te sturen. Op 4 oktober 2011 heeft de Raad van appellant, zonder begeleidend schrijven, twee recepten van een ziekenhuis ontvangen. De recepten zijn gedateerd 7 februari 2011 en 24 september 2011. De Raad is van oordeel dat uit de overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat appellant niet in staat is geweest het griffierecht tijdig te voldoen en ook niet dat hij niet in staat is geweest zich binnen de gestelde termijn tot de Raad te wenden. Nu ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat appellant niet in verzuim is geweest, moet het verzet ongegrond worden verklaard. Het bedrag van het te laat betaalde griffierecht (€ 112,-) zal door de griffier van de Raad aan appellant worden terugbetaald. Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2012. (get.) T.G.M. Simons. (get.) D.W.M. Kaldenhoven. TM

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.