10/4103 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant],wonende te [woonplaats] (appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 31 mei 2010, 09/980 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo (college) Datum uitspraak: 3 april 2012 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.J.M. van Asten, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 21 februari
- Partijen zijn, zoals tevoren bericht, niet verschenen. II. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant heeft op 20 maart 2008 een aanvraag om algemene bijstand ingediend. Bij besluit van 15 mei 2008 heeft het college deze aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. Bij besluit van 5 augustus 2008 heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 mei 2008 gegrond verklaard, de aanvraag alsnog inhoudelijk beoordeeld en deze afgewezen. 1.
- Appellant heeft op 12 juni 2008 opnieuw een aanvraag om algemene bijstand ingediend. Hij wenst de bijstand te laten ingaan op 20 maart
- Bij besluit van 6 augustus 2008 heeft het college deze aanvraag, onder verwijzing naar het besluit van 5 augustus 2008, met toepassing van artikel 4:6 van de Awb afgewezen. 1.
- Bij beslissing op bezwaar van 17 februari 2009 (bestreden besluit) heeft het college het besluit van 6 augustus 2008 gehandhaafd. Daarbij is overwogen dat appellant per 20 maart 2008 geen recht heeft op bijstand omdat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Voorts is overwogen dat appellant ook met ingang van 12 juni 2008 geen recht heeft op bijstand. Bij een nieuwe aanvraag ligt het op de weg van appellant om aan te tonen dat er sprake is van een relevante wijziging in de omstandigheden in die zin dat appellant met ingang van de nieuwe aanvraagdatum wel aan de eisen voldoet om voor bijstand in aanmerking te komen. Appellant heeft hieraan niet voldaan aangezien hij op geen enkele wijze inzicht heeft verschaft in de financiële voordelen die uit de hennephandel zijn behaald, over de besteding daarvan dan wel de vorming van vermogen.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat enkel nog in geschil is de weigering van het college om appellant vanaf 12 juni 2008 bijstand te verlenen en heeft overwogen dat appellant niet in voldoende mate duidelijkheid heeft kunnen verschaffen of hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.
- Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat voldoende kan worden vastgesteld dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Hij heeft geen inkomsten ontvangen uit hennepteelt, hennephandel of het bewerken van hennep. Volgens appellant kan het leveren van bewijs van niet gedane werkzaamheden in redelijkheid niet van hem worden gevraagd.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- In aanmerking genomen dat tussen partijen uitsluitend in geschil is of het college terecht heeft geweigerd om appellant vanaf 12 juni 2008 bijstand te verlenen, ligt ter beoordeling voor de periode vanaf 12 juni 2008 tot en met 6 augustus
- De Raad zal vanwege het verschil in toetsingskader bij zijn beoordeling een onderscheid maken tussen de periode van 12 juni 2008 tot en met 5 augustus 2008 enerzijds en de datum 6 augustus 2008 anderzijds. 4.
- De periode van 12 juni 2008 tot en met 5 augustus 2008 heeft het college al eerder beoordeeld. Dat is gebeurd bij het onder 1.1 vermelde, in rechte onaantastbaar geworden, besluit van 5 augustus
- Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, betekent het voorgaande dat ten aanzien van die periode de vraag aan de orde is of sprake is van nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb die betrekking hebben op deze periode. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich zodanige feiten of omstandigheden hebben voorgedaan. Het college heeft dan ook terecht geweigerd appellant over de periode van 12 juni 2008 tot en met 5 augustus 2008 bijstand te verlenen. 4.
- Voor wat betreft de datum 6 augustus 2008 ligt de vraag voor of appellant aannemelijk heeft gemaakt dat hij op die dag verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft in de financiële voordelen die hij uit de productie van en/of handel in hennep heeft behaald. De enkele stelling van appellant dat hij geen vergoeding heeft ontvangen voor zijn betrokkenheid bij hennepteelt, hennephandel of het bewerken van hennep is ontoereikend. Appellant heeft immers geen verificatie mogelijk gemaakt van de financiële voordelen die verkregen kunnen zijn uit zijn betrokkenheid bij de productie van hennep en/of handel in hennep en ook anderszins geen opening van zaken gegeven. Het college heeft dan ook terecht geweigerd appellant over 6 augustus 2008 bijstand te verlenen. 4.
- Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd, gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen, met verbetering van gronden.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en E.J. Govaers en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april
- (get.) J.J.A. Kooijman. (get.) V.C. Hartkamp. HD