← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BW4816

11/1799 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 10 februari 2011, 10/856 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Datum uitspraak: 4 mei 2012 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. F. van der Wielen hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Wielen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Bij besluit van 16 september 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 1 april 2009 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. 1.
  3. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 22 februari 2010 (besteden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.
  4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. De rechtbank heeft in de overgelegde rapportages van medisch adviseur M.A. Peerden van 26 maart 2010 en 13 december 2010 geen aanleiding gezien om te oordelen dat de beperkingen van appellant onjuist zijn vastgesteld.
  5. In hoger beroep is aangevoerd dat appellant niet in staat is arbeid in het vrije bedrijf te verrichten, onder meer omdat sprake is van een eenvoudig gestructureerde man die de coping mechanismen ontbeert om op een adequate wijze met stressvolle zaken om te gaan. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant verwezen naar de in hoger beroep overgelegde psychologische rapportage van 23 februari 2011 van psycholoog T. Kleijer, waaruit blijkt dat appellant op de WAIS-III scoort op zwakbegaafd intelligentieniveau TIQ=
  6. Appellant is verwezen naar de Stichting MEE voor begeleiding bij wonen en activiteiten gericht op structuur, het houden van overzicht en het leven in het hier en nu. Het Uwv heeft het ingenomen standpunt gehandhaafd.
  7. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  8. Ten aanzien van de stelling van appellant in hoger beroep dat hij gezien zijn beperkingen niet in staat kan worden geacht arbeid op de vrije arbeidsmarkt te verrichten overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts in de rapportages van 8 februari 2010 en van 11 mei 2010 overtuigend heeft gemotiveerd dat appellant beschikt over duurzaam benutbare mogelijkheden, zodat volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden niet aan de orde is. 4.
  9. Wat betreft de medische beoordeling ziet de Raad ook overigens geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. De verzekeringsarts heeft met de klachten in verband met diabetes, schildklierdysfunctie en hypertensie alsmede met de psychische klachten rekening gehouden bij het opstellen van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Appellant is (fors) beperkt geacht op diverse onderdelen van de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren, aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en werktijden, welke beperkingen in bezwaar zijn bevestigd. Ook in hoger beroep zijn geen objectief medische gegevens ingebracht ter onderbouwing van de stelling van appellant dat de FML onvoldoende recht doet aan zijn medische beperkingen. De Raad onderschrijft het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in de nadere rapportage van 31 mei 2011, waarin hij motiveert dat de in hoger beroep overgelegde psychologische rapportage van 23 februari 2011 geen aanleiding geeft om de belastbaarheid per einde wachttijd te wijzigen. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat de zwakbegaafdheid van appellant maakt dat hij is aangewezen op eenvoudige werkzaamheden, zoals hij ook in het verleden heeft verricht. Dit past bij de beperkingen zoals op de FML zijn vermeld. De Raad heeft geen aanleiding om de bezwaarverzekeringsarts niet in deze zienswijze te volgen. Hierin ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet voor inwilliging van het verzoek van appellant tot benoeming van een deskundige voor het instellen van een psychologisch dan wel psychiatrisch onderzoek. 4.
  10. Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid ziet de Raad geen aanknopingspunten om de medische geschiktheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies in twijfel te trekken. Tegen deze functies heeft betrokkene in beroep en in hoger beroep overigens ook geen afzonderlijke gronden aangevoerd. 4.
  11. Op grond van het overwogene onder 4.1 tot en met 4.3 is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  12. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei
  13. (get.) J.W. Schuttel. (get.) G.J. van Gendt. GdJ

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.