← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BW5351

11/782 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 10 oktober 2006, 06/4549 en 06/754 Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) het dagelijks bestuur van de Sociale Dienst Oost Achterhoek (dagelijks bestuur) Datum uitspraak: 8 mei 2012 PROCESVERLOOP Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Raad van 10 oktober 2006, LJN AZ

  1. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april
  2. Verzoeker is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.M.J.I. de Veer. OVERWEGINGEN
  3. Ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
  4. Bij bovenvermelde uitspraak van 10 oktober 2006 heeft de voorzieningenrechter van de Raad overwogen dat het hoger beroep van verzoeker is gericht tegen een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb. Daartegen kan ingevolge artikel 18, tweede lid en onder c, van de Beroepswet geen hoger beroep worden ingesteld. Zoals in die uitspraak voorts is overwogen wordt volgens vaste rechtspraak van de Raad het wettelijk appelverbod slechts doorbroken indien sprake is geweest van evidente schending van beginselen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces waarborgen. De voorzieningenrechter van de Raad is in die uitspraak tot het oordeel gekomen dat van een zodanige schending niet is gebleken en hij heeft zich dan ook onbevoegd verklaard ter zake van de hoofdzaak en ter zake van het verzoek om voorlopige voorziening.
  5. De gronden van onderhavig verzoek houden verband met omstandigheden die niet zien op de onder 2 genoemde uitspraak maar op andere eerder door verzoeker gevoerde procedures. Het bijzondere rechtsmiddel van herziening is hiervoor echter niet gegeven. Nu verzoeker aan zijn verzoek om herziening geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb ten grondslag heeft gelegd, is dit verzoek niet voor toewijzing vatbaar.
  6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af. Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei
  7. (get.) R.H.M. Roelofs. (get.) J. van Dam. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.