10/5432 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 september 2010, 09/253 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (betrokkene) en appellant. Datum uitspraak: 9 mei 2012 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. R. Di Lorenzo, advocaat, een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart
- Appellant heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij. Namens betrokkene is verschenen [L.] bijgestaan door mr. Di Lorenzo. II. OVERWEGINGEN 1.
- Bij besluit van 12 juni 2008 heeft appellant het tijdvak waarin [naam werkneemster] (werkneemster) jegens betrokkene als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken op de grond dat betrokkene niet aan de re-integratieverplichtingen heeft voldaan. Daarbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65 van de Wet WIA. 1.
- Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 4 december 2008 (bestreden besluit) heeft appellant dit bezwaar, onder verwijzing naar een rapportage van een bezwaararbeidsdeskundige van 3 december 2008, ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank was van oordeel dat de door de bezwaarverzekeringsarts uitgebrachte rapportages, waarin wordt afgeweken van het oordeel van de verzekeringsarts en de bedrijfsarts, mede gelet op de door betrokkene ingediende stukken waaruit blijkt dat de werkneemster met ingang van 8 juli 2009 een loongerelateerde uikering ontvangt, niet te begrijpen zijn. 3.
- In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar twee nader uitgebrachte arbeidskundige en verzekeringsgeneeskundige rapporten aangevoerd, dat de beoordeling van de re-integratie-inspanningen gaat over de eerste twee jaar van de ziekte en dat de beoordeling die specifiek betrekking heeft op het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid niet rechtstreeks van toepassing is op het antwoord op de vraag of er voldoende basis is om re-integratie-inspanningen te starten. 3.
- In het verweerschrift heeft betrokkene verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen 4.
- De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende. 4.
- Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of appellant terecht het tijdvak waarin de werkneemster recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken heeft verlengd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door betrokkene als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA. 4.
- Het standpunt van appellant dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht is, zoals in het bestreden besluit is verwoord, gebaseerd op de conclusies in rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en van de bezwaararbeidsdeskundige, gedateerd 12 november 2008 respectievelijk 3 december
- De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport, na medisch onderzoek van de werkneemster en kennisneming van bij de haar behandelend psycholoog opgevraagde informatie, geconcludeerd dat de problematiek van werkneemster vrijwel volledig psychisch van karakter was en dat de lichamelijke klachten zijn te zien als uiting van de psychische. Volgens de bezwaarverzekeringsarts heeft de bedrijfsarts deze primaire problematiek niet onderkend. De fysieke klachten ontberen volgens de bezwaarverzekeringsarts een objectieve basis, zodat er geen reden was de werkneemster op grond van die klachten niet tot arbeid in staat te achten. De bezwaarverzekeringsarts was verder van mening dat op grond van de psychische problematiek niet kon worden uitgesloten dat werkneemster ongeschikt was voor functies waarin gezag en conflicten een belangrijke rol speelden. Dergelijke factoren spelen volgens de bezwaarverzekeringsarts een rol bij de functie van onderwijsassistente, in welke functie de werkneemster voor enkele uren per week op arbeidstherapeutische basis werkzaam is geweest. Doordat de relevante problematiek niet is onderkend, is volgens de bezwaarverzekeringsarts door de bedrijfsarts ten onrechte gesteld dat er op en na de datum van het actueel oordeel geen benutbare mogelijkheden waren. De bezwaararbeidsdeskundige heeft, gelet op de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, vastgesteld dat de bedrijfsarts ten onrechte een blokkerend advies heeft gegeven met als gevolg dat door de werkgever ten onrechte re-integratiekansen zijn gemist. 4.
- Voormelde rapporten bieden naar het oordeel van de Raad voldoende steun voor het standpunt van appellant. De bezwaarverzekeringsarts heeft voldoende overtuigend uiteengezet dat de primaire verzekeringsarts in haar rapport van 19 mei 2008 op onjuiste gronden het standpunt van de bedrijfsarts heeft onderschreven. Uit het onder 4.3 vermelde rapport van de bezwaarverzekeringsarts heeft appellant terecht afgeleid dat er onvoldoende perspectief bestond voor werkhervatting van de werkneemster in de functie van onderwijsassistente. Nu de re-integratiepogingen van betrokkene tot deze functie beperkt zijn gebleven, heeft appellant ook terecht geconcludeerd dat ten onrechte verdere re-integratie-inspanningen achterwege zijn gebleven. Verder heeft de Raad herhaaldelijk geoordeeld - zie onder meer de uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3713 - dat het Uwv er terecht van uitgaat dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie ook wat betreft de adviezen van de bedrijfsarts bij de werkgever is gelegen. Dat aan de werkneemster met ingang van 8 juli 2009 een loongerelateerde WGA-uitkering is toegekend, waarbij zij voor 100% arbeidsongeschikt is geacht, doet aan het vorenstaande niet af, nu de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid eerst achteraf geschiedt en volgens andere criteria dan in dit geding aan de orde zijn. Daaruit kunnen dus geen conclusies worden getrokken met betrekking tot de vraag of voldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht (zie onder meer de uitspraak van 29 september 2010, LJN BN 8780). De Raad onderschrijft eveneens het standpunt van appellant dat betrokkene voor haar tekortkomingen geen deugdelijke grond heeft gehad. 4.
- Uit hetgeen onder 4.2 tot en met en 4.4 is overwogen, volgt dat de Raad van oordeel is dat appellant op basis van de beschikbare gegevens terecht heeft geconcludeerd dat betrokkene als werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat het besluit tot oplegging van de loonsanctie mitsdien in rechte stand kan houden. Dat leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het beroep ongegrond moet worden verklaard.
- De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei
- (get.) Ch. van Voorst. (get.) I.J. Penning. GdJ