11/391 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 december 2010, 09/1600 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het college van burgemeester en wethouders van Stein (college) Datum uitspraak: 8 mei 2012 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2012. Voor appellant is verschenen mr. Van Berkel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Dovermann. II. OVERWEGINGEN 1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. 1.1. Appellant en N. [F.] ([F.]) ontvingen sinds 12 augustus 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Bij brief van 14 april 2006 is aan appellant bericht dat het college heeft besloten over te gaan tot verkoop aan hem van de standplaats aan [adres] te Stein. De verkoopprijs is daarbij vastgesteld op € 14.875,73. Op 18 mei 2006 heeft de overdracht van de standplaats bij de notaris plaatsgevonden; daarbij is door appellant een bedrag van € 16.897,72 (inclusief notaris- en bijkomende kosten) voldaan. Appellant heeft gesteld dat hij deze aankoop heeft gefinancierd door het afsluiten van een drietal leningen, elk van € 5.000,--. Daartoe heeft hij schriftelijke verklaringen overgelegd van [A.B.] (gedateerd 18 november 2005), [C.D.] (gedateerd 20 december 2005) en [E.F.] (gedateerd 3 januari 2006), waarbij ieder verklaart een bedrag van € 5.000,-- aan appellant te hebben geleend om de grond waarop zijn woonwagen staat te kopen. 1.2. Bij besluit van 25 september 2008 heeft het college, na voorafgaande opschorting van het recht op bijstand, de bijstand van appellant en [F.] met ingang van 18 mei 2006 ingetrokken. Tevens zijn de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 18 mei 2006 tot en met 30 juni 2008 tot een bedrag van € 16.740,23 van hen teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant en [F.] hebben verzwegen dat zij beschikten over een vermogen boven de grens van het vrijgestelde vermogen en dat zij een standplaats hebben aangekocht. 1.3. Bij besluit van 25 augustus 2009 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 25 september 2009 gegrond verklaard, met dien verstande dat de intrekking van de bijstand is beperkt tot de periode van 12 mei 2006 tot en met 31 oktober 2006 en de terugvordering tot een bedrag van € 4.967,21 bruto (€ 4.040,68 netto). Laatstgenoemd bedrag stemt overeen met het becijferde vermogensoverschot, dit is het bedrag waarmee de toepasselijke vermogensgrens van € 10.360,-- is overschreden. Bij dit besluit is aan appellant en [F.] tevens een maatregel opgelegd wegens schending van de inlichtingenverplichting. Besloten is de bijstand met ingang van 1 november 2006 te verlagen met € 496,72, zijnde 10% van het benadelingsbedrag. Dit bedrag is eveneens van appellant en [F.] teruggevorderd, zodat in totaal € 5.463,93 van hen wordt teruggevorderd. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het ingestelde beroep tegen het besluit van 25 augustus 2009 ongegrond verklaard. 3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de aangevallen uitspraak. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. De maatregel 4.1. Op grond van het verhandelde ter zitting heeft het college de, eerst in de bezwaarfase, opgelegde en door appellant aangevochten maatregel alsmede de daaraan gekoppelde terugvordering alsnog ingetrokken. Daarmee behoeft dit onderdeel van het hoger beroep geen nadere bespreking of beslissing. Tussen partijen is ter zitting verder overeengekomen dat, in het geval het bestreden besluit voor het overige in stand blijft, het college de door appellant gemaakte proceskosten in hoger beroep voor 1 punt, derhalve tot een bedrag van € 437,--, aan appellant zal voldoen en dat appellant op zijn beurt afstand doet van het recht op vergoeding van het griffierecht in twee instanties. De intrekking en terugvordering 4.2. De Raad stelt vast dat appellant in ieder geval op 12 mei 2006, toen een bedrag van € 17.450,-- op zijn rekening bij de ABN Amro Bank is gestort, beschikte over een vermogen dat de grens van het vrijgestelde vermogen van € 10.360,-- overschreed. Uit het desbetreffende bankafschrift blijkt overigens dat appellant kennelijk ook op 9 mei 2006 nog een bedrag van € 500,-- op dezelfde rekening heeft gestort. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat dit positieve banksaldo op zichzelf een beletsel vormde voor (voortzetting van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.