← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BW5881

10/4533 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 juli 2010, 09/7088 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 16 mei 2012 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. A. Apistola, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april

  1. Appellante is verschenen bijgestaan door mr. A.A.W. Terpstra, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellante was werkzaam als kapster en schoonmaakster toen zij op 12 augustus 1996 voor dit werk is uitgevallen wegens klachten van het bewegingsapparaat. Na ommekomst van de wachttijd die destijds 52 weken bedroeg heeft het Uwv haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het Uwv heeft deze uitkering na een medische en arbeidskundige herbeoordeling bij besluit van 7 augustus 2006 met ingang van 18 september 2006 ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante was afgenomen naar minder dan 15%, wegens geschiktheid voor door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Aansluitend ontving appellante een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Vanuit deze situatie heeft zij zich meerdere malen ziek gemeld, voor het laatst per 29 mei 2009 wegens pijn op de linkerborst. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellante tweemaal het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts M. Slebioda. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellante met ingang van 13 juli 2009 geschikt kon worden geacht voor twee van de bij de eerdere WAO-beoordeling geduide functies. Bij besluit van 7 juli 2009 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij dienovereenkomstig met ingang van 13 juli 2009 geen recht meer had op ziekengeld. 1.
  3. Na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts P. Momberg, heeft het Uwv bij besluit van 8 september 2009 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 juli 2009 ongegrond verklaard.
  4. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard en daarbij beslissende betekenis toegekend aan de bevindingen van de betrokken verzekeringsartsen.
  5. In hoger beroep voert appellante aan dat geen sprake is van een verandering in haar medische toestand ten opzichte van de eerdere WAO-beoordeling die heeft geleid tot een uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De geduide functies zijn volstrekt niet als passend te beschouwen. Ter onderbouwing legt appellante informatie over van de huisarts van 9 augustus 2010 en een besluit van 11 maart 2008 van het CWI, inhoudende een mededeling dat appellante met ingang van 26 oktober 2007 tot de doelgroep WSW behoort.
  6. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  7. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. 4.
  8. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient onder “zijn arbeid” in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. 4.
  9. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ook naar het oordeel van de Raad is het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig geweest. De verzekeringsarts Slebioda heeft het dossier bestudeerd en appellante op het spreekuur van 7 juli 2009 onderzocht. Na telefonisch overleg met de huisarts heeft hij vastgesteld dat sprake was van onverklaarbare pijn van de rechter ribbenkast en dat röntgenonderzoek geen afwijkingen van klinische betekenis liet zien. Dit geheel overziend heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat appellante in ieder geval voldoende geschikt wordt bevonden voor twee van de in het kader van de eerdere WAO-beoordeling geduide functies. De bezwaarverzekeringsarts Momberg, die appellante eveneens heeft onderzocht, heeft de bevindingen van de verzekeringsarts onderschreven. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarbij uitgebreid aandacht besteed aan de reeds beschikbare en de in bezwaar en beroep ingebrachte informatie van de behandelend sector. 4.
  10. De Raad ziet in de door appellante in hoger beroep ingebrachte informatie onvoldoende aanknopingspunten om aan de juistheid van het standpunt van de betrokken verzekeringsartsen te twijfelen. De Raad onderschrijft in dit verband het in hoger beroep gegeven commentaar van de bezwaarverzekeringsarts Momberg, zoals neergelegd in haar rapporten van 8 november 2010, 21 januari 2011 en 30 maart
  11. In deze rapporten heeft de bezwaarverzekeringsarts inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom de in hoger beroep overgelegde informatie geen aanleiding geeft tot wijziging van het eerder ingenomen standpunt. Zij heeft te kennen gegeven dat de aangeleverde gegevens veelal niet de datum in geding betreffen. Bij het bloedonderzoek in juli 2009 zijn overigens geen afwijkingen gevonden en de bekendheid met chronische klachten van obstipatie doet, gelet op de brief van de MDL-arts J.T. Sarneel van 3 januari 2011, niet af aan het feit dat appellante daarmee geschikt kan worden geacht voor haar arbeid in de zin van de ZW. De omstandigheid dat bij de indicatie voor de WSW van verdergaande beperkingen is uitgegaan geeft ten slotte geen aanleiding voor twijfel aan de bevindingen van de verzekeringsartsen. De criteria die worden aangelegd bij de WSW-beoordeling zijn niet dezelfde als die gelden bij een beoordeling van de geschiktheid tot het verrichten van arbeid. Nu voorts niet is gebleken dat de verzekeringsartsen niet op de hoogte waren van alle relevante medische gegevens, kent de Raad aan de WSW-indicatie niet die betekenis toe die appellante daaraan toegekend wenst te zien.
  12. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  13. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep -bevestigt de aangevallen uitspraak; -wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei
  14. (get.) C.P.J. Goorden. (get.) K.E. Haan. NW

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.