← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BW5886

10/6445 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 oktober 2010, 10/1196 (aangevallen uitspraak). Partijen: [appellante], wonende te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Datum uitspraak: 16 mei 2012 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. O. Huisman, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april

  1. Namens appellante is mr. Huisman verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooij-Bal. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellante, die laatstelijk werkzaam was als oproepkracht in de horeca, heeft zich op 2 oktober 2008 vanuit de situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving ziek gemeld wegens rugklachten en stuitpijnklachten. Na onderzoek door de verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 5 december 2008 appellante niet arbeidsongeschikt geacht voor haar eigen werk en meegedeeld dat zij primair per 2 oktober 2008 en subsidiair per 8 december 2008 geen recht heeft op ziekengeld. Bij besluit van 2 februari 2009 heeft het Uwv het bezwaar van appellante niet ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding bij het indienen van het bezwaarschrift. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld, zodat het in rechte onaantastbaar is geworden. 1.
  3. Bij brief van 14 augustus 2009 heeft appellante, onder overlegging van medische informatie, aan het Uwv verzocht om terug te komen van het besluit van 5 december
  4. Na beoordeling van de overgelegde informatie door de verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 30 oktober 2009 aan appellante meegedeeld dat geen aanleiding wordt gezien het besluit van 5 december 2008 te herzien. 1.
  5. Bij besluit van 5 januari 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 oktober 2009, onder verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts R. Blanker van 5 januari 2010, ongegrond verklaard.
  6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de door appellante overgelegde medische informatie met betrekking tot haar stuitpijnklachten en psychische klachten geen nieuwe feiten of omstandigheden bevat, zodat het Uwv herziening niet aan de orde heeft kunnen achten.
  7. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten aanzien van haar stuitklachten ten onrechte heeft overwogen dat de door haar overgelegde medische informatie uitsluitend een nadere visie biedt op de reeds bekende klachten en dat de gebleken ziekte niet het voorkomen van meer of andere beperkingen aannemelijk maakt. Volgens appellante blijkt uit het onderzoek van de haar behandelende specialisten dat zij ernstig beperkt was en dat de gedane constateringen zich naar alle waarschijnlijkheid ook al in 2008 voordeden.
  8. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende. 4.
  9. Tussen partijen is niet in geschil dat het bij brief van 14 augustus 2009 gedane verzoek van appellante dient te worden aangemerkt als een verzoek als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om terug te komen van het besluit van 5 december
  10. 4.
  11. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsing zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijke voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zulk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. 4.
  12. Ter ondersteuning van haar verzoek om terug te komen van het besluit van 5 december 2008 heeft appellante nieuwe medische gegevens overgelegd. In deze gegevens heeft het Uwv geen aanleiding gezien terug te komen van het eerdere besluit, omdat een andere zienswijze of diagnose met betrekking tot de reeds bekend zijnde klachten niet leidt tot een wijziging van het eerder ingenomen standpunt. In hun rapportages hebben de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat de nieuwe gegevens geen aanknopingspunten bieden voor wijziging van hun oordeel dat appellante per 2 oktober 2008/8 december 2008 niet arbeidsongeschikt was voor haar eigen werk. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat het verzoek om terug te komen van het eerdere besluit vooral stoelt op ontwikkelingen van ruim na de datum in geding. Wat betreft de psychische klachten kan in de overgelegde informatie geen onderbouwing worden gevonden voor het standpunt dat appellante ten tijde in geding niet belastbaar zou zijn voor haar arbeid. Pas na een opname medio 2009 is een borderline persoonlijkheidsstoornis als hoofddiagnose vastgesteld. De stuitpijnklachten waren eveneens bekend en zijn bij de beoordeling meegewogen. Pas op 24 oktober 2009 heeft een ingreep aan het stuitbeen van appellante plaatsgevonden. Volgens de bezwaarverzekeringsarts gebeurt dit vaker bij onverklaarbare aanhoudende pijn in de stuitregio, maar heeft dit geen verdere medische betekenis in de zin van ziekte/gebrek of medische beperkingen 4.
  13. Mitsdien dient de vraag te worden beantwoord of het Uwv in dit geval in redelijkheid heeft kunnen weigeren om terug te komen van het besluit van 5 december
  14. Zoals de Raad onder meer heeft overwogen in zijn uitspraak van 27 februari 2009, LJN BH4552, kan de bestuursrechter bij de beantwoording van die vraag slechts acht slaan op de feiten en omstandigheden die uiterlijk in de bezwaarfase door de betrokkene naar voren zijn gebracht. Het Uwv heeft zijn besluit immers uitsluitend op die feiten en omstandigheden kunnen baseren. Om deze reden kan de Raad de door appellante in hoger beroep overgelegde gegevens niet in zijn beoordeling betrekken. Overigens heeft de bezwaarverzekeringsarts de in beroep en in hoger beroep overgelegde medische gegevens beoordeeld en aangegeven dat die evenmin aanleiding geven tot een andersluidend standpunt. In het kader van de toepassing van artikel 4:6 van de Awb is in hoger beroep geen plaats voor het inschakelen van een medisch deskundige, zoals door appellante verzocht. Uitgaande van de in de bezwaarfase bekende feiten en omstandigheden en de naar aanleiding daarvan uitgebrachte rapportages door de bezwaarverzekeringsartsen kan, gelet op hetgeen van de zijde van appellante is aangevoerd, naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel dat daarbij anderszins is gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. 4.
  15. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  16. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei
  17. (get.) C.P.J. Goorden. (get.) K.E. Haan. JL

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.