10/1392 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 januari 2010, 09/2607 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 16 mei 2012 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. B.J. Visser, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april
- Appellant is verschenen met mr. A. Adriaansen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant is werkloos geworden uit zijn functie van chauffeur/productiemedewerker. Hij heeft zich op 1 oktober 2007 ziekgemeld in verband met reeds bekende rug-, pols- en darmklachten ten gevolge van de ziekte van Bechterew en de ziekte van Crohn. Aan hem is een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Appellant is op 2 september 2008 onderzocht door een verzekeringsarts, die informatie heeft ingewonnen bij de behandelend internist en na bespreking daarvan met appellant op 26 februari 2009 heeft geconcludeerd dat appellant met ingang van 27 februari 2009 weer in staat was om zijn eigen werk te verrichten. 1.
- Bij besluit van 26 februari 2009 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant beëindigd met ingang van 27 februari
- Bij beslissing op bezwaar van 29 mei 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 februari 2009 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 27 mei 2009 ten grondslag gelegd, waarin de bevindingen van de verzekeringsarts op basis van onder andere nadere informatie van de behandelend reumatoloog en internist van appellant zijn onderschreven.
- De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog hierbij onder meer het volgende: “Op grond van de stukken moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de verzekeringsartsen bij eiser niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Met name blijkt uit de rapportages van de verzekeringsartsen dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten, waaronder zijn darm-, pols- en rugklachten. Tevens hebben de verzekeringsartsen informatie ingewonnen bij de behandelend artsen en deze informatie meegewogen in hun beoordeling. Met betrekking tot hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd kan de rechtbank zich verenigen met wat de bezwaarverzekeringsarts hierover heeft opgemerkt in haar rapportage van 11 augustus
- Naar het oordeel van de rechtbank is in die rapportage afdoende toegelicht dat er wat betreft de darmklachten op de datum in geding geen sprake (meer) was van een duidelijke verergering van het ziektebeeld en dat de door eiser in enige mate ervaren buikpijnklachten, gepaard gaande met een ontlastingsfrequentie van 4 tot 5 keer per dag, het verrichten van zijn arbeid als chauffeur/productiemedewerker niet in de weg staat. Voorts is in deze rapportage van de bezwaarverzekeringsarts afdoende toegelicht dat er op reumatologisch gebied geen afwijkingen zijn geconstateerd aan de rechterpols en dat op basis van de door de reumatoloog gestelde diagnose enige beperkingen aan de rug aannemelijk zijn maar dat er geen reden is om aan te nemen dat dit eiser zodanig zou belemmeren dat hij niet in staat is om lichte productiewerkzaamheden te verrichten. In dit verband acht de rechtbank nog van belang dat bij de vaststelling van de FML in het kader van de WIA-beoordeling al rekening is gehouden met een beperkte belastbaarheid van de rug van eiser. Eiser heeft in beroep geen nieuwe (medische) informatie overgelegd die aanleiding geeft tot twijfel aan de bevindingen van de verzekeringsartsen.”
- Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat zijn gezondheidsklachten, met name zijn rugklachten, aan het verrichten van zijn werkzaamheden per 27 februari 2009 in de weg stonden. Volgens hem is uit het gegeven dat de darmklachten op 8 december 2008 waren afgenomen ten onrechte geconcludeerd dat hij met ingang van 27 februari 2009 zover hersteld was, dat hij zijn werk weer kon doen. Appellant heeft benadrukt dat de ziekte van Crohn een heel wisselvallig verloop heeft en dat zijn toestand op 27 februari 2009 weer was verslechterd. Hij heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen voor het verkrijgen van een medisch objectief beeld.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Ter beoordeling ligt voor de vraag of appellant terecht in staat is geacht om zijn werkzaamheden als chauffeur/productiemedewerker met ingang van 27 februari 2009 weer te verrichten. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat grotendeels een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank is gemotiveerd op de stellingen van appellant ingegaan en de Raad kan zich verenigen met de overwegingen van de rechtbank. De Raad voegt hieraan toe dat appellant na 8 december 2008 ook nog op 5 januari 2009 bij de internist is geweest. Toen waren er geringe buikklachten en een defaecatiefrequentie van drie tot vier maal daags. Van een toename van de klachten tussen 5 januari 2009 en 27 februari 2009 heeft appellant in het gesprek met de verzekeringsarts op 26 februari 2009 geen melding gemaakt. Appellant heeft dit wel gedaan in zijn bezwaarschrift, maar zijn stelling vindt geen steun in de medische gegevens die zich in het dossier bevinden en is ook anderszins niet onderbouwd door appellant. Daarom ziet de Raad, evenals de rechtbank, geen grond voor het oordeel dat de gezondheidstoestand van appellant op 27 februari 2009 onjuist is ingeschat door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts. Voor het inschakelen van een deskundige ziet de Raad hierom geen aanleiding. De Raad wijst er tot slot op dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts beiden hebben benadrukt dat de in aanmerking te nemen werkzaamheden fysiek licht van aard zijn en ondanks de beperkingen van de rug passend zijn voor appellant. 4.
- Uit 4.1 volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
- Voor een vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei
- (get.) B.M. van Dun. (get.) H.L. Schoor. EK