← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2012:BW6415

09/4520 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant) tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 juli 2009, 07/622 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [betrokkene], wonende te [woonplaats] (betrokkene) en appellant. Datum uitspraak: 11 mei 2012 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een rapport van de bezwaarverzekeringsarts overgelegd. Namens betrokkene heeft mr. A.M. van den Hurk, advocaat, een verweerschrift ingediend met als bijlage een brief van 2 juni 2009 van Mentrum te Amsterdam. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart

  1. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman. Namens betrokkene is mr. B.F.C. Kramer, advocaat, verschenen. Na sluiting van het onderzoek heeft de Raad vastgesteld dat dit niet volledig is geweest en heeft hij het onderzoek heropend. Vervolgens heeft de Raad appellant verzocht een onderzoek in te stellen naar de geschiktheid van de geselecteerde functies in het licht van het deskundigenrapport van 20 juni 2008 en diens aanvullende reactie van 12 februari 2009, zoals opgesteld door de door de rechtbank ingeschakelde psychiater, A.M. van der Loo. Naar aanleiding hiervan heeft appellant rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige ingebracht waarop namens betrokkene nader op is gereageerd. De Raad heeft vragen gesteld aan psychiater Van der Loo, welke door deze zijn beantwoord bij brief van 12 oktober
  2. Van de kant van appellant is hierop gereageerd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart
  3. Voor appellant is verschenen mr. M. Sluijs. Namens betrokkene is verschenen mr. Kramer. II. OVERWEGINGEN
  4. Bij besluit van 2 februari 2007 (bestreden besluit) heeft appellant, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit van 1 september 2006, waarbij de uitkering van betrokkene ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 1 november 2006 is ingetrokken, onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene op deze datum minder dan 15% was. 2.
  5. De rechtbank heeft ten behoeve van haar oordeelsvorming de in rubriek I vermelde psychiater Van der Loo geraadpleegd. Blijkens zijn rapport van 20 juni 2008 en zijn aanvullende reactie van 12 februari 2009, heeft deze deskundige geconcludeerd dat er ten tijde van de datum in geding bij betrokkene sprake was van een depressieve stoornis bovenop de bestaande stemmingsstoornis (dysthymie), een paniekstoornis en een persoonlijkheidsstoornis NAO met ontwijkende en borderline trekken. De deskundige heeft zich niet kunnen verenigen met de door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 19 juni
  6. Voorts acht hij betrokkene niet geschikt voor de voor haar geselecteerde functies. De inschatting van de deskundige is dat de belastbaarheid bij betrokkene zeer beperkt tot nihil is. 2.
  7. De rechtbank heeft, in lijn met het belang dat volgens vaste rechtspraak toekomt aan het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter geraadpleegde deskundige, geen aanleiding gezien om de bevindingen en conclusies van deskundige Van der Loo niet te volgen. De rechtbank heeft daarbij onder meer overwogen dat Van der Loo zijn oordeel heeft gebaseerd op uitvoerig uitgevoerd eigen onderzoek en na kennisneming van alle in het dossier aanwezige, op betrokkene betrekking hebbende stukken, waaronder de beschikbare medische informatie en tevens kennis heeft genomen van het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts. Bovendien heeft de deskundige dit oordeel inzichtelijk en afdoende gemotiveerd en heeft hij in een nader rapport van 12 februari 2009 aangegeven geen aanleiding te zien zijn conclusies te herzien of het eerder uitgebrachte rapport te wijzigen. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat het bestreden besluit op een ondeugdelijke medische grondslag is gebaseerd. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt. 3.
  8. In hoger beroep is aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de visie van de door haar ingeschakelde deskundige heeft gevolgd. Appellant heeft aangegeven dat Van der Loo onnavolgbaar is in zijn conclusie nu hij betrokkene op een aantal aspecten meer beperkt acht dan door de bezwaarverzekeringsarts is aangenomen maar daarbij niet precies heeft aangegeven welke beperkingen dat dienen te zijn. Voorts is het standpunt van Van der Loo bestreden dat bij betrokkene sprake is van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. Verwezen wordt naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 24 augustus 2009 waarin hij stelt dat in voldoende mate rekening is gehouden met de beperkingen van betrokkene en dat er geen gronden zijn tot het in acht nemen van een urenbeperking. 3.
  9. Na het verhandelde ter zitting heeft appellant desverzocht met inachtneming van het deskundigenrapport van Van der Loo een nader medisch en arbeidskundig onderzoek verricht. Zoals blijkt uit het rapport van 1 april 2011 van bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink, is deze het eens met psychiater Van der Loo dat betrokkene meer beperkt is dan aangenomen omdat de beschreven problematiek van betrokkene ernstiger is dan de door appellant vastgestelde surmenage. Hij kan zich echter niet vinden in het standpunt dat de belastbaarheid “zeer beperkt tot nihil is” zoals door psychiater Van der Loo nader is aangegeven in zijn rapport van 20 juni
  10. Op dat punt heeft de bezwaarverzekeringsarts een urenbeperking van 4 uur per dag, gedurende 20 uur per week vastgesteld. De aangepaste beperkingen zijn neergelegd in een FML van 1 april
  11. Naar aanleiding van de aangepaste FML heeft de bezwaararbeidsdeskundige geoordeeld dat de eerder geduide functies onverkort geschikt zijn voor betrokkene zodat appellant zijn standpunt niet wijzigt. 3.
  12. De Raad heeft aanleiding gevonden om het rapport van bezwaarverzekeringsarts De Vink met de aangepaste FML voor te leggen aan Van der Loo. Deze heeft bij brief van 12 oktober 2011 geantwoord op de door de Raad gestelde vragen. Onder meer heeft de deskundige aangegeven dat wat betreft de werktijden betrokkene zeer beperkt is en gemiddeld niet meer dan ongeveer 2 uur per dag en 10 uur per week kan werken. Voorts merkt hij nog op dat de aanpassingen op de FML zoals verwerkt in zijn rapport van 20 juni 2008 met zijn aanvulling van 12 februari 2009, groter zijn dan thans aangenomen door appellant in de aangepaste FML. 4.
  13. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  14. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is geïndiceerd. In dit geval ziet de Raad geen aanleiding om van deze hoofdregel af te wijken. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het door de deskundige verrichte onderzoek, gezien het rapport van 20 juni 2008 en het aanvullende rapport van 12 februari 2009 in onderlinge samenhang bezien, volledig en zorgvuldig is. De deskundige heeft met name in het aanvullende rapport van 12 februari 2009 in reactie op het commentaar van 15 augustus 2008 van bezwaarverzekeringsarts W. Ebbelaar, uiteengezet waarom hij tot zijn diagnose is gekomen. Daarbij heeft hij uitdrukkelijk de diagnose “surmenage” zoals gesteld door bezwaarverzekeringsarts Ebbelaar gewogen. Voorts wijst de Raad er op dat in hoger beroep door bezwaarverzekeringsarts De Vink bij rapport van 1 april 2011 is erkend dat de diagnose van Van der Loo juist is, waarop de FML vervolgens is aangepast. Wat betreft het geschil over de omvang van de urenbeperking volgt de Raad de conclusies van Van der Loo in zijn brief van 12 oktober
  15. De in deze brief aangegeven marginale omvang van arbeidsuren van gemiddeld ongeveer 2 uur per dag en 10 uur per week, sluit aan bij de eerdere bevindingen en conclusies van Van der Loo waarin hij stelt dat de belastbaarheid van betrokkene gelet op haar beperkingen zeer beperkt tot nihil is. De Raad ziet in de reactie van de bezwaarverzekeringsarts geen aanknopingspunten om af te wijken van zijn vaste rechtspraak in deze. 4.
  16. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 5.
  17. Ten slotte heeft betrokkene de Raad verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). 5.
  18. Voor de wijze van beoordeling van betrokkenes verzoek verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009). 5.
  19. De Raad stelt vast dat vanaf de ontvangst door appellant op 13 oktober 2006 van het bezwaarschrift van betrokkene tot de datum van deze uitspraak meer dan vier jaar zijn verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling door de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 16 maart 2007 tot de uitspraak op 1 juli 2009 twee jaar en vier maanden geduurd en heeft de behandeling in hoger beroep van de ontvangst van het hoger beroepschrift op 12 augustus 2009 tot deze uitspraak twee jaar en 9 maanden geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is geschonden. 5.
  20. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), moet worden beslist omtrent betrokkenes verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met - eveneens - verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.
  21. De Raad acht termen aanwezig om appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten zijn begroot op € 1.127,- (3 ½ punt x € 322,-) voor verleende rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, recht doende: - bevestigt de aangevallen uitspraak; - veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.127,-; - bepaalt dat van appellant een recht van € 447,- wordt geheven; - bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder nummer 12/2634 BESLU ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om vergoeding van schade met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de Staat der Nederlanden (minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure. Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.C.W. Lange en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 mei
  22. (get.) J.W. Schuttel. (get.) N.S.A. El Hana. ew

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.