10/6472 WWB 12/44 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 29 oktober 2010, 10/443 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Weert (college) Datum uitspraak 18 mei
- PROCESVERLOOP De Raad heeft in het geding tussen partijen op 11 oktober 2011, LJN BT8375, een tussenuitspraak gedaan. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college op 13 december 2011 een nieuw besluit genomen. Namens appellante heeft mr. D.M.J. Dexters, advocaat, bij brief van 9 februari 2012 haar zienswijze naar voren gebracht. Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 21, eerste en zesde lid, van de Beroepswet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN
- Voor een uitgebreid overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak.
- Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college heeft bij besluit van 13 december 2011 de bijstand van appellante verlaagd met 40% van de toepasselijke bijstandsnorm en toeslag over de periode van 11 maart 2005 tot 25 januari 2006 en bepaald dat zij een bedrag van € 3.389,86 moet terugbetalen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante vlak voor de verlening van bijstand met ingang van 11 maart 2005 een bedrag van € 20.035,99 op de bankrekening van haar moeder heeft gestort, dat zij daarmee onvoldoende besef van verantwoordelijkheid heeft betoond voor de voorziening in het bestaan en dat dit haar kan worden verweten. Het college heeft met toepassing van artikel 9, derde lid, aanhef en onder c, van de Maatregelverordening Weert 2010 (verordening) de verlaging vastgesteld op 20% van de toepasselijke bijstandsnorm en toeslag over de fictieve interingstermijn, die is vastgesteld op de periode van 11 maart 2005 tot 25 januari 2006, en de verlaging verdubbeld tot 40% op de grond dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.
- Het besluit van 13 december 2011 wordt, nu daarmee niet volledig is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellante, met toepassing van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb bij het geding in hoger beroep betrokken.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Appellante betoogt in de zienswijze dat zij door mishandeling en psychologische druk van haar ouders gedwongen werd om het bedrag op de bankrekening van haar moeder over te maken, zodat deze gedraging haar niet kan worden verweten. Zij stelt zich op het standpunt dat het college daarom op grond van artikel 6, derde lid, van de verordening diende af te zien van toepassing van een verlaging van de bijstand wegens het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid. Dit betoog slaagt niet, nu reeds in de tussenuitspraak is overwogen dat voor de stelling van appellante, dat haar geen enkel verwijt van de gedraging valt te maken vanwege haar angst voor en de voortdurende druk van haar ouders, onvoldoende grond bestaat (zie overweging 5.11). 4.
- Appellante stelt zich wel terecht op het standpunt dat de verlaging van de bijstand op een onjuiste grondslag berust. Anders dan het college heeft overwogen, is geen sprake geweest van onverantwoord interen bij vermogen door een bijstandsgerechtigde als bedoeld in artikel 9, derde lid, aanhef en onder c, van de verordening. Appellante heeft de betreffende gedraging immers verricht voordat zij recht op bijstand had. 4.
- Het onder 4.2 overwogene leidt tot de conclusie dat tevens het besluit van 13 december 2011 wegens een onjuiste grondslag voor vernietiging in aanmerking komt. 4.
- Met het oog op een definitieve beslechting van het geschil overweegt de Raad het volgende. In dit geval is appellante door de betreffende gedraging (wel) door eigen toedoen van de bijstand afhankelijk geworden, als bedoeld in artikel 9, derde lid, aanhef en onder d, van de verordening. Ingevolge die bepaling legt het college een verlaging van 100% gedurende twee maanden op, indien het nalaten van het verwijtbare gedrag er toe had geleid dat de bijstand twee of meer maanden later was ingegaan. Hiervan is in dit geval sprake aangezien appellante vóór de betreffende gedraging het onder 2 genoemde bedrag tot haar beschikking had. Niet gebleken is van omstandigheden die aanleiding geven tot een hogere of lagere verlaging dan die van - kort gezegd - 100% gedurende twee maanden. Daarom bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, het primaire besluit van 13 oktober 2006 te herroepen, te bepalen dat met toepassing van artikel 9, derde lid, aanhef en onder d, van de verordening een verlaging wordt opgelegd van 100% gedurende twee maanden met ingang van 11 maart 2005 en het bedrag van de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over deze twee maanden vast te stellen op € 1.621,
- De Raad ziet aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar, op € 874,-- in beroep en op € 1.092,50 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand (totaal € 2.610,50). BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - vernietigt de aangevallen uitspraak; - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de besluiten van 30 maart 2010 en 13 december 2011; - herroept het besluit van 13 oktober 2006; - bepaalt dat de bijstand van appellante gedurende twee maanden met ingang van 11 maart 2005 met 100% wordt verlaagd en dat de gemaakte kosten van bijstand over die twee maanden tot een bedrag van € 1.621,32 van appellante worden teruggevorderd, en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 13 december 2011; - veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.610,50, waarvan € 874,-- dient te worden betaald aan de griffier van de Raad; - bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.F. Bandringa en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei
- (get.) A.B.J. van der Ham. (get.) J. de Jong. HD